Wat is de betekenis van Hun?

2020
2020-10-31
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Hun

Hun - Zelfstandignaamwoord 1. lid van een nomadisch ruitervolk uit Mongolië dat in de 4e eeuw Europa binnendrong Pas op, de Hunnen komen eraan!!! Zie ook hun

Lees verder
2020
2020-10-31
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

hun

(1911) (spreektaal. Oorspr. volkstaal in Holland, niet in de rest van Nederland) zij. Deze taalkundige fout is ondertussen wijdverbreid geraakt, vooral door de televisie. Zie ook: hullie* en hunnie*. • Hun willen ook graag trouwen –net als jullie toen. (Johan Fabricius: De kop van Jut. 1970) • Donderdag 10 juli Heissenberg en Mayer...

Lees verder
1994
2020-10-31
Muiswerk

Woordenboek van Muiswerk Educatief

hun

hun - voornaamwoord 1. derde persoon meervoud, bij object zonder 'aan' ♢ ik geef hun een cadeau 2. bezittelijk: hij is van die andere mensen ♢ het is hun paard Voornaamwoord: hun

Lees verder
1916
2020-10-31
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

hun

I. 3e nv. m. (mv.) van het pers. vn. van de 3e pers.: ik zal het — geven ; heb je geschreven?; II. bez. vn. van de 3e pers., m./o. (mv.): — vaderland; — kinderen; — blijdschap was groot; met lidw.: dat zijn onze boeken niet maar de hunne; zelfst. gebruikt: de hunnen, hun betrekkingen, hun gezin: zij hebben geen brood voor de...

Lees verder
1898
2020-10-31
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Hun

1. HUN, pers. vnw., m. mv., 3de nv. van hij : ik zal het hun geven; hebt ge hun geschreven ? Vgl. HEN (2de art.). . 2. HUN, bez. vnw. van den 3den pers., m. mv. : hun vaderland'; hunne kinderen; hunne blijdschap was groot; dat zijn onze boeken niet, maar de hunne; (zelfst. gebruikt) de minnen, hun gezin: zij hebben geen brood voor de hunnen.

Lees verder