2019-10-16

Hun

Hun - Zelfstandignaamwoord 1. lid van een nomadisch ruitervolk uit Mongolië dat in de 4e eeuw Europa binnendrong Pas op, de Hunnen komen eraan!!! Zie ook hun

2019-10-16

Hun

1. HUN, pers. vnw., m. mv., 3de nv. van hij : ik zal het hun geven; hebt ge hun geschreven ? Vgl. HEN (2de art.). . 2. HUN, bez. vnw. van den 3den pers., m. mv. : hun vaderland'; hunne kinderen; hunne blijdschap was groot; dat zijn onze boeken niet, maar de hunne; (zelfst. gebruikt) de minnen, hun gezin: zij hebben geen brood voor de hunnen.

2019-10-16

hun

hun - voornaamwoord 1. derde persoon meervoud, bij object zonder 'aan' ♢ ik geef hun een cadeau 2. bezittelijk: hij is van die andere mensen ♢ het is hun paard Voornaamwoord: hun