Wat is de betekenis van Hun?

2020
2021-01-17
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

hun

1) (1911) (spreektaal. Oorspr. volkstaal in Holland, niet in de rest van Nederland) zij. Deze taalkundige fout is ondertussen wijdverbreid geraakt, vooral door de televisie. Zie ook: hullie* en hunnie*. • Hun willen ook graag trouwen –net als jullie toen. (Johan Fabricius: De kop van Jut. 1970) • Donderdag 10 juli Heissenberg en Ma...

Lees verder
2019
2021-01-17
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Hun

Hun - Zelfstandignaamwoord 1. lid van een nomadisch ruitervolk uit Mongolië dat in de 4e eeuw Europa binnendrong Pas op, de Hunnen komen eraan!!! Zie ook hun

Lees verder
2018
2021-01-17
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

hun

hun - voornaamwoord 1. derde persoon meervoud, bij object zonder 'aan' ♢ ik geef hun een cadeau 2. bezittelijk: hij is van die andere mensen ♢ het is hun paard Voornaamwoord: hun

Lees verder
1973
2021-01-17
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

hun

I. 3e nv. m. (mv.) van het pers. vn. van de 3e pers.: ik zal het — geven ; heb je geschreven?; II. bez. vn. van de 3e pers., m./o. (mv.): — vaderland; — kinderen; — blijdschap was groot; met lidw.: dat zijn onze boeken niet maar de hunne; zelfst. gebruikt: de hunnen, hun betrekkingen, hun gezin: zij hebben geen brood voor de...

Lees verder
1950
2021-01-17
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Hun

I. 3de nv. m. mv. van het pers. vnw. van de 3de pers. : ik zal het hun geven; hebt ge hun geschrevenf vgl. Ben (2de art.); 2. bez. vnw. van de 3de pers., m. en o. mv.: hun vaderland; hun kinderen; hun blijdschap was groot; — met lidw. : dat zijn onze boeken niet, maar de hunne; zelfst. gebruikt: de hunnen, hun be...

Lees verder
1898
2021-01-17
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Hun

1. HUN, pers. vnw., m. mv., 3de nv. van hij : ik zal het hun geven; hebt ge hun geschreven ? Vgl. HEN (2de art.). . 2. HUN, bez. vnw. van den 3den pers., m. mv. : hun vaderland'; hunne kinderen; hunne blijdschap was groot; dat zijn onze boeken niet, maar de hunne; (zelfst. gebruikt) de minnen, hun gezin: zij hebben geen brood voor de hunnen.

Lees verder