Hun
I. 3de nv. m. mv. van het pers. vnw. van de 3de pers. : ik zal het hun geven; hebt ge hun geschrevenf vgl. Ben (2de art.); 2. bez. vnw. van de 3de pers., m. en o. mv.: hun vaderland; hun kinderen; hun blijdschap was groot; — met lidw. : dat zijn onze boeken niet, maar de hunne; zelfst. gebruikt: de hunnen, hun be...