Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hengel

betekenis & definitie

1. HENGEL, m. (-s), zie HENGSEL.

2. HENGEL, m. (-s), zeker vischtuig, een lange houten of rieten stok, aan welks eene einde een snoer is bevestigd, dat in het midden een verschuifbaren kurken dobber en aan het andere einde een hoek heeft, hengelroede met den hengel visschen;
— (gew.) er is tuk aan den hengel, de visch bijt aan (ook fig.); met den gouden hengel visschen, door omkoopen zijn doel zien te bereiken. HENGELTJE, o. (-s).
3. HENGEL, v. zekere plant, geelbloemig zwartkoorn (melampyrum pratense), ook gele paardenbloem en boschhorde geheeten; de hengel woekert meestal op de wortels van dennen en eiken.