Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Griel

betekenis & definitie

1. GRIEL, v. (-en), (pap.) langwerpige rooster met dunne koperen staven in den maalbak.

2. GRIEL, v. (-en), (nat. hist.) zekere ’s zomers in de duinen voorkomende vogel (oedienemus crepitans), ook doornsluiper en scharluip geheeten, die veel overeenkomst heeft met de pluvier.
3. GRIEL, GRJELE, v. (grielen), (gew.) een zot, kinderachtig meisje;
— (Zuidn.) een nijdig vrouwspersoon.