Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 20-09-2020

2020-09-20

Pap

betekenis & definitie

Het begrip pap heeft 2 verschillende betekenissen:

1. pap - pap - Pap v. (mv. -pen in de bet. van soorten van pap), kooksel van meel, brood enz. met melk; alles wat tot eene brij gekookt of geworden is; Spaansche pap, eene soort van dikke zoetemelkssoep met rijstbloem en suiker en veel eieren;
— (spr.) met iets zijne pap koelen, zich paaien, zich bezighouden;
— hij verdient het zout in de pap niet, van iem. gezegd die weinig of niets verdient;
— iem. de pap in den mond geven, hem doen gevoelen, begrijpen hoe hij handelen moet, wat hij zeggen moet;
— daar heeft hij geene pap voor gegeten, daar heeft hij geen verstand van;
— (Z. A.) hij praat met zijn mond vol pap, binnensmonds, onduidelijk;
— wien de pap geboden wordt, moet gapen, men behoort van de gelegenheid gebruik te maken;
— (Zuidn.) dat heb ik nog nooit in mijn pap gevonden, dat is mij nog nooit overkomen;
— geen pap meer kunnen zeggen, uiterst vermoeid zijn ; (ook) overdadig gegeten hebben;
— iets zoo beu zijn als koude pap, er meer dan genoeg van hebben, ervan walgen;
— mijn hoed is als pap, doornat ;
— (heelk.) verzachtend middel op zweren enz. ;
— (wev.) eene uit meel of stijfsel gekookte kleverige stof, waaronder in enkele gevallen eenige lijm, of soms ook wel eenige talk wordt gemengd, met welke stof de kettingdraden worden bestreken;
— (papierm.) toebereid heelgoed. papierbrij;
— (zeew.) smeersel.

2. pap - pap - Pap bn. bw. (Z. A.) pappig, te zacht: die perzik is te pap; niet lekker : ik voel mij vandaag zoo pap.