Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grieksch

betekenis & definitie

GRIEKSCH, bn. van de Grieken de Grieksche geschiedenis; de Grieksche bouwkunst; Grieksche letters, de letterteekens van het Grieksch; een Grieksche bijbel, bijbel in het Grieksch;

— een Grieksch testament, (stud.) een kurketrekker;
— uit Griekenland afkomstig Grieksche wijn; Grieksch marmer;
— Grieksch vuur, zeker fel brandend sas, dat zelfs in het water brandt en in de 7de eeuw n. C. door den Griekschen ingenieur Callinicus werd uitgevonden;
— Grieksche randen, soort van randversiering bij het teekenornament;
— de Grieksche kerk, de Oosterschorthodoxe kerk (in tegenst. met de RoomschKatholieke of Latijnsche kerk), waarvan de Czaar van Rusland het hoofd is;
— een Grieksch kruis, een kruis met vier even lange armen (in tegenst. met het Latijnsche kruis);
— de Grieksche kalender, de tijdrekening met het maanjaar, Juliaansche kalender.