Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 29-11-2018

Rooster

betekenis & definitie

Rooster - m. (-s), houten of ijzeren traliewerk, uit eene rij evenwijdige staafjes of uit twee rijen, die elkander rechthoekig kruisen, bestaande en tot velerlei doeleinden aangewend ;

— ijzeren traliewerk om vuur op te leggen of om er boven het vuur iets op te braden : vleesch op den rooster braden ;
— (fig.) dat is heet van den rooster, pas gemaakt, pas besloten, afgesproken enz ;
— het ging er heet van den rooster, er werd hevig gevochten;
— het geld moet daar van den rooster gehaald worden, niet zonder gevaar kan men daar het geld halen;
— traliewerk of staven waarop het vuur rust in eene kachel, een oven : de rooster van de kachel ligt dwars ;
— den rooster omkeeren, zoodat het vuur of de brandstof eraf valt;
— voor groote vuren in fabrieken bestaan de roosters uit zware staven;
— de ruimte in hoogovens waarin men het erts en de brandstof laagsgewijze opstapelt om door het verbranden van deze het erts aan sterke gloeihitte bloot te stellen; (ook) de opgestapelde massa in die ruimte;
— houten vloer op ingeheide palen om daarop gebouwen of bouwwerken op te trekken op een drassigen bodem : een rooster op grondpalen; de rooster van een sluisvloer;
— traliewerk van hout of metaal, dienende tot dekking (b. v. van een vijver, put, kuil enz.);
— (scheepsb.) verzameling van elkander rechthoekig kruisende houten, die tot grondslag dienen voor een schip in aanbouw ;
— (scheepsb.) vierkante, gekruiste latten op de openingen van het dek gelegd, om licht en lucht binnen te laten ;
— (aan huizen) ijzeren traliewerk aan den voet der buitenmuren om lucht en licht onder de vloeren der woningen toe te laten ; ventilatierooster;
— ijzeren traliewerk in zinkputjes en voor riolen om grootere voorwerpen te verhinderen in de rioolbuizen te komen;
— (scheepsb.) vlecht- of traliewerk buiten boord tegen de kraangaten aangebracht om te beletten, dat er vuil of wier in de pijpen komt;
— laatste 2 vakken van een hinkelbaan ;
— lijst van personen, die naar ambten en posten dingen en wier namen in de vereischte orde op elkander volgen;
— lijst der namen van personen (leden van eene vergadering enz.), met aanwijzing van het tijdstip, waarop zij ieder op de beurt eene werkzaamheid te verrichten hebben of moeten aftreden: een rooster van aftreding; volgens rooster treden af;
— een rooster van werkzaamheden, lijst waarop de volgorde en de duur ervan staan opgegeven;
— iets op den rooster van werkzaamheden zetten, het aan de orde stellen ;
— (nat. hist.) het harde gehemelte van een paard. ROOSTERTJE, o. (-s), kleine rooster.