Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grielen

betekenis & definitie

1. GRIELEN, (grielde, heeft gegrield), (Zuidn.) grabbelen: de kinderen grielen naar de pepernoten.

2. GRIELEN, (grielde, heeft gegrield), (gew.) krioelen.
3. GRIELEN, (grielde, heeft gegrield), (gew.) onophoudelijk lachen, kinderachtig zijn.