Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Grasmaand

betekenis & definitie

GRASMAAND, v. de maand waarin het nieuwe gras uitspruit, April;

...MEST, m. zekere mestsoort voor grasland;
...MOF, m. (-fen), schimpnaam voor de grasmaaiers;
...MUSCH, v. (...musschen), (nat hist.) zeker vogelgeslacht (sylvia), inz. de hiertoe behoorende gewone grasmusch sylvia cinoxa), ook erwtenpikkertje en koewachtertje genaamd.