Wat is de betekenis van grasmaand?

Synoniemen van grasmaand

2019
2020-12-05
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

grasmaand

grasmaand - Zelfstandignaamwoord 1. vierde maand van het kalenderjaar Woordherkomst van Middelnederlands grasmaent; cognaat met Zweeds gräsmånad; samenstelling van gras en maand, omdat rond die tijd het nieuwe gras opschiet Synoniemen april

Lees verder
1973
2020-12-05
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

grasmaand

v./m., →april.

1933
2020-12-05
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Grasmaand

Grasmaand - → April.

1916
2020-12-05
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Grasmaand

Grasmaand - of April, zie KALENDER.

1898
2020-12-05
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Grasmaand

GRASMAAND, v. de maand waarin het nieuwe gras uitspruit, April; ...MEST, m. zekere mestsoort voor grasland; ...MOF, m. (-fen), schimpnaam voor de grasmaaiers; ...MUSCH, v. (...musschen), (nat hist.) zeker vogelgeslacht (sylvia), inz. de hiertoe behoorende gewone grasmusch sylvia cinoxa), ook erwtenpikkertje en koewachtertje genaamd.

Lees verder