Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

Mest

betekenis & definitie

Mest MIST. m. [(-en), in de beteekenis van mestsoorten] uitwerpselen van menschen en van sommige dieren; (jag.) mest van rood wild, van wolven, vossen, hazen enz.;

— inz. de uitwerpselen van sommige dieren met stroo vermengd, dienende om het land te bemesten, stalmest: koe-, paardenmest; den mest over het land kruien;
— mest inrijden, met den ploeg in den akker rijden;
— lange mest, stroo dat tot paardenleger heeft gediend, in tegenst. met korte mest, paardendrek;
— ruige mest, met stroo vermengd; vloeibare mest;
— bij uitbreiding elke zelfstandigheid die dient om den grond vet of vruchtbaar te maken, bemestingsmiddel: als mest dienen ook kalk, mergel, asch, roet enz.: kunstmest.