Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Godsdienst

betekenis & definitie

GODSDIENST, m. godsvereering: de Zondag is den godsdienst toegeëigend;

— uiterlijke godsdienst,het waarnemen van godsdienstige plichten zonder er met het hart aan deel te nemen; de ceremoniën die in daarvoor bestemde gebouwen door de geestelijkheid verricht worden, de eeredienst: de uitoefening van den openbaren godsdienst;
— een bedienaar van den godsdienst, geestelijke, priester, predikant;
— de gemeenschappelijke godsdienstoefening hij is van morgen in den godsdienst geweest, hij is ter kerke geweest;
—, (-en), het geheel der plechtigheden en leerstellingen, uitmakende den vorm van godsvereering van een volk, eene sekte, een kerkgenootschap: de godsdienst van Israël; de geschiedenis der godsdiensten; de Christelijke, de Roomsche, de Hervormde godsdienst;
— (ook) de gezamenlijke leerstellingen van een volk of een kerkgenootschap, geloof, belijdenis: een anderen godsdienst aannemen; de heerschende godsdienst;
— de godsdienst van den staat, de door een staat met uitsluiting van elke andere, erkende belijdenis, welke het hoofd van den staat en alle ambtenaren moeten zijn toegedaan;
— verschil van godsdienst, onderscheid in belijdenis; de belijders der onderscheidene godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en burgerschapsrechten;
— zijn godsdienst leeren, zijne belijdenis: zijn catechismus leeren;
— de betrekking van den mensch tot God, (ook) het ingeschapen gevoel van afhankelijkheid van God geen mensch kan buiten den godsdienst;
— godsvrucht, vroomheid de mensch heeft somtijds meer godsdienst dan hij weet;
— (w. g.) zaakwaarnemen is ook godsdienst, het behartigen van andermans belangen is ook eene zaak van het geweten.