Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hart

betekenis & definitie

HART, o. ( en), dicht, en in sommige uitdr. ook HARTE, o. (-n), (ontl.) holle spier in de borst van menschen en dieren, die met de bloedvaten in gemeenschap staat en het uitgangspunt is van den bloedsomloop het hart van den mensch heeft de grootte van eene vuist;

— (veearts.) het ledige hart, zekere kalverziekte, waarbij men na den dood van het dier in het hart geen bloed vindt;
— het hart op de rechte plaats dragen (of hebben), rechtschapen zijn;
— het hart hoog dragen. trotsch zijn;
— een kind onder het hart dragen, zwanger zijn;
— zich het hart uit het lijf braken, (fig.) geweldig braken;
— het hart breekt bij het gezicht van al die ellende, (fig.) men wordt met deernis vervuld;
— zijn hart trilde van vreugde;
— zijn hart klopt warm voor armen en verdrukten, hij voelt veel voor hen;
— haar hart klopte in de keel, zij was niet op haar gemak, zeer ongerust of bang, (ook) zeer opgewonden;
— met kloppend hart(e), met angst;
— geen levend hart, niemand, geen levend wezen;
— ik houd mijn hart vast, van angst of vrees voor den afloop van iets;
— mijn hart draait om in mijn lijf, (fig.) het geeft mij eene hoogst onaangename gewaarwording (b. v. als men iets afgrijselijks of walgelijks ziet of hoort); (ook) ik ben misselijk, heb. sterke neiging tot braken
— het wordt mij wee om het hart, ik begin smart (deernis, berouw enz.) te gevoelen;
— de schrik slaat mij om het hart, ik gevoel mij beklemd van schrik;
— mijn hari verstijft bij ’t geen gij zegt, mijn adem stokt;
— zijn hart kromp ineen van rnedelijden;
— het hart bloedt hem, (fig.) hij is van weemoed vervuld;
— het gaat van ’s harten bloede (ook verbasterd tot van sassen bloed), het gaat met de grootste opofferingen gepaard, alleen met de grootste moeite het kunnen bekostigen:
— iem. het hart uit zijn lijf dingen, onredelijk afdingen;
— (Zuidn.) zijn hart opeten, veel verdriet hebben;
— gezond van harte, gezond en frisch;
— hij is niet ziek van harte, niet echt ziek, alleen maar ongesteld;
— bitter in den mond maakt het hart gezond, de medicijnen zijn bitter, maar men wordt er beter van
— een hart van goud. zie GOUD (1ste alin);
— hij heeft een hart van steen, hij is hardvochtig;
— (Zuidn.) van zijn hart een steen maken, zijne gevoeligheid, medelijden enz. overwinnen, koel blijven;
— zijn hart ligt hem op de tong (of op de lippen), hij zegt alles wat hij denkt, wat in hem opwelt;
— iets op het hart hebben, behoefte gevoelen om iets, dat bezwaart of bekommert, te openbaren;
— dat is een steen (of een pak) van het hart, dat geeft verlichting, is een groote zorg minder;
— de plaats waar het hart zit: met de hand op het hart, met de hand over het hart strijken, zie HAND;
— iem. aan het hart drukken, hem (of haar) omhelzen;
— iem. iets op het hart drukken, hem iets dringend aanbevelen, met nadruk voor iets waarschuwen;
— (Zuidn.) op zijn hart kloppen, schuld bekennen;
— (het hart als zetel van alle gemoedsaandoeningen en eigenschappen van de menschelijke natuur) gemoed (bijb.) God kent (of proeft) de harten; het hart tot God opheffen; zalig zijn de reinen van hart;
— hij heeft een goed hart, hij is deugdzaam (of goedig) van aard; vroolijk van hart, opgeruimd, blijmoedig;
— met rouw in ’t harte, met rouw, weemoed vervuld;
— met hoop in 't hart, hoopvol;
— (Zuidn.) het hart in zijn, zeer teleurgesteld zijn, misbaar maken, bijna dood zijn (van verdriet enz ): toen hij dat hoorde, was hij het hart in;
— dat is een steek in mijn hart, dat is eene oorzaak van lijden of verdriet;
— waar het hart vol van is, vloeit (of loopt) de mond van over, men spreekt lichtelijk over datgene waarvan men vervuld is;
— het hart dringt mij tot spreken, ik kan niet zwijgen;
— zijn hart uitstorten (of luchten), anderen deelgenoot maken van datgene waarvan het hart vol is;
— ik maak van mijn hart geen moordkuil, ik zeg ronduit wat ik denk of gevoel;
— zijn hart openleggen, zijn binnenste blootleggen, zeggen wat er in het gemoed omgaat;
— hij is een jager in zijn hart, een hartstochtelijk liefhebber van de jacht;
— in zijn hart hield hij nog veel van haar, inwendig, doch hij liet er niets van blijken;
— uit den grond 'mijns harten, uit het diepste van mijn gemoed;
— het is u van harte gegund;
— het gaat niet van harte, niet met vollen zin of met oprechte genegenheid:
— van ganscher harte. met geheel het hart, oprecht;
— weinig maar uit een goed hart, ’t is weinig wat ik geef, maar het wordt van harte geschonken;
— iets niet over het hart kunnen verkrijgen, er niet toe kunnen besluiten, er niet toe kunnen komen;
— het gaat mij aan het hart, het doet mij leed, het begroot mij;
— het gaat mij na aan ’t hart, het gaat mij aan, is voor mij van belang;
— met hart en ziel, met alle kracht en toewijding;
— dat doet uw hart eer aan, dat bewijst dat gij edele gevoelens hebt;
— gevoel: die man heeft geen hart, geen menschelijk gevoel;
— hij laat zich leiden door zijn hart; mijn hart zegt mij. dat ik verkeerd heb gehandeld;
— gezindheid: iem. een goed (of een kwaad) hart toedragen, hem gunstig (of ongunstig) gezind zijn; hij heeft hart voor de zaak, is haar toegedaan, heeft lust om haar te behartigen;
— veel hart voor iets hebben, er veel voor voelen;
— (Zuidn.) tegen zijn kart iets doen, met tegenzin;
— (Zuidn.) tegen zijn hart spreken, tegen zijne overtuiging in
— het gaat mij ter harte, ik laat er mij aan gelegen zijn, besteed er alle moeite en zorg aan
— gij spreekt naar mijn hart, zooals ik dat het liefste heb
— het is iem. naar mijn hart, naar mijn zin;
— een man naar Gods hart, zooals God zich dien wenscht, inz. van David gezegd;
— zij waren één hart en één ziel, volkomen eensgezind;
— zich met hart en ziel op iets toeleggen, geheel en al, onverdeeld;
— alle harten naar het zijne beoordeelen (of rekenen), naar zich zelven alle harten naar het mijne gerekend, is het nu tijd om naar huis te gaan, ik verlang naar huis;
— het hart als zetel der liefde: hij weet den weg van het hart te vinden, weet zich bemind te maken;
— iemands hart stelen (of winnen), zijne liefde winnen, zich hij hem of haar aangenaam maken;
— zij is de aangebedene mijns harten, de godin van mijn hart, mijn beminde;
— zijn hart staat in lichter laaie, hij is smoorlijk verliefd; :
— hij is zijn hart kwijt; is verliefd;
— iem. hart en hand schenken, tot echtgenoot nemen;
— uit het oog, uit het hart (of uiter oogen, uiter harten), de afwezigen vergeet men licht;
— mijn hartje, mijn lieveling;
— het hart als zetel van lust en begeerte: zijn hart op iets zetten, zijne zinnen op iets zetten;
— zijn hart van iets afzetten (of aftrekken), een wensch uit het hoofd stellen;
— hij heeft alles wat zijn hart(je) begeert, wat hij verlangt;
— zijn hart aan iets ophalen, zich aan (of met) iets verlustigen, (ook) tot verzadigens toe ervan genieten;
— het hart ais zetel van het denkvermogen overdenkt deze dingen in uwe harten; in den grond van mijn hart geef ik hem gelijk;
— iets ter harte nemen, naar een gegeven raad of vermaning luisteren, er zijn voordeel mee doen;
— het hart als zetel van den moed een hart in 't lijf, een groot hart hebben, moedig zijn;
—het hart hebben, iets durven of wagen heb het hart niet het nog eens te doen; daar heeft hij hei hari niet toe; iem. een hart onder den riem {den gordel) steken (of iem. een hart in het lijf spreken), zijn moed erlevendigen, hem moed inspreken
— het hart zonk hem in de schoenen, hij verloor allen moed;
— | een hart hebben zoo groot als een boon, geen moed (ook geen kracht) meer hebben
— (bij vergelijking) iets dat den vorm van een hart heeft: een hart van marsepein; zij draagt een lint met een gouden hart om den hals;
— de harten (in het kaartsp.), zie HARTEN;
— borststuk van een hemd:
— (aan een houten pomp) een cilindervormig stuk hout, dat in de pomp wordt geschoven boven de sluitklep, en waarboven de zuiger werkt, ook pomphart genoemd;
— het midden, het binnenste van iets het hart van een boom, van eene vrucht; de suiker moet geplant worden op dubbele rijen, met eene tusschenruimte van vijf voet van hart op hart; de afstand der kolommen, muren hart op hart, van het midden tot het midden;
— in het hartje van Siberië;
— dat raakt het hart der quaestie niet, het binnenste, het essentieele der zaak;
— in ’t hartje van den winter, in het ergste, het koudste gedeelte van den wintertijd;
— die verf is nog niet in zijn hart droog, geheel en al droog;
— het hart van een touw, een weinig gedraaide streng van minder sterk garen, waaromheen de eigenlijke strengen van een kabel worden ineengedraaid. HARTJE, o. (-s), zie boven; een hartje zonder zorg, een zieltje zonder zorg, een luchthartig, zorgeloos persoon;
— (plantk.) druipende hartjes, zie ald. ook gebroken hartjes geheeten.