Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Gerustheid

betekenis & definitie

GERUSTHEID, v. ongestoorde kalmte gerustheid van gemoed;

— onbezorgdheid, zorgeloosheid met gerustheid zie ik de toekomst tegemoet;
— iemand gerustheid inboezemen, inspreken, hem vertrouwen, inboezemen, hem geruststellen;
— eene reden tot onbezorgdheid, geruststelling: het is eene groote gerustheid voor mij, dat gij er bij zijt.