Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Gemoed

betekenis & definitie

Het begrip gemoed heeft 2 verschillende betekenissen:

1. gemoed - GEMOED, o. (-eren), het binnenste van den mensch, zijn geestelijk gevoel, zijne neigingen, hartstochten en zielsstemmingen: de innerlijke gezindheden des gemoeds; met verruimd gemoed; opgewekt van gemoed;
— in gemoede meenen, overtuigd zijn, inwendig, in het diepste van zijne ziel van meening zijn, de overtuiging hebben;
— ik raad het u in gemoede af, ernstig, oprecht;
— dat treft mij tot in het binnenste van mijn gemoed, dat treft mij in de hoogste mate;
— men mag niet tegen zijn gemoed spreken, tegen zijne innerlijke overtuiging;
— de gemoederen beheerschen, de harten, de gezindheid der menschen;
— de gemoederen waren verdeeld, de gevoelens liepen uiteen;
— de gemoederen zijn geschokt, de lieden zijn in hun gemoed geschokt, hun vertrouwen is geschokt, zij weten niet waaraan zich te houden;
— de gemoederen zijn aan het gisten, er broeit iets bij het volk;
— de zetel van alle hoogere, teedere aandoeningen, het hart (in tegenstelling van het koel berekenende verstand): een rein, edel, onbedorven gemoed;
— een ontvankelijk gemoed, dat vatbaar is voor goede indrukken;
— mijn gemoed schoot vol, ik werd door aandoening overstelpt;
— dat spreekt tot het gemoed, maakt indruk op het hart;
— iemand in het gemoed grijpen, zijn hart treffen;
— op iemands gemoed werken, de stem van zijn geweten trachten wakker te maken;
— in iemands gemoed lezen, hem doorgronden;
— hebt ge nog iets op het gemoed ?, op het hart, wilt ge nog iets anders vragen ?:
— aandoenlijkheid, gevoeligheid van hart: zijn verzen getuigen bovenal van gemoed;
— (gemeenz.) borst, boezem steek die roos maar op je gemoed; wat heeft die meid een gemoed.

2. gemoed - GEMOED, bn. gestemd, te moede, alleen in samenst. blijgemoed, welgemoed; ook nog gew. en Zuidn. in: in iets gemoed zijn, er welgezind om zijn.