Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Dienaar

betekenis & definitie

DIENAAR, m. (dienaren, -s), persoon die iemand of iets dient, beambte de koning is de eerste dienaar van den staat;

— dienaar van de kroon, minister;
— dienaar des konings, hofbediende;
— dienaar van *t gerecht, die de bevelen der justitie ten uitvoer brengt;
— dienaar des Goddelijken woords, Protestantsch geestelijke;
— dienaar des altaars, R.-K. geestelijke;
— dienaar der dienaren Gods, benaming die de Paus zich geeft in pauselijke stukken;
— een dienaar der waarheid, die overal de waarheid zoekt en verbreidt;
— een dienaar der wetenschap, die haar met groote voorliefde beoefent en mededeelt;
— een dienaar van den Mammon, die in ’t geld het hoogste ziet;
— een dienaar van den buik, gulzigaard, lekkerbek;
— ik ben uw dienaar, uw gehoorzame, dienstwillige, onderdanige dienaar, (beleefdheidsformulen);
— (dicht.) bediende, knecht: de slotvoogd riep zijn dienaren in de groote zaal bijeen;
— een dienaar maken, kniebuiging uit beleefdheid;
— (Zuidn.) zijn dienaar aan iets doen, van eene spijs flink eten.
DIENARES, DIENARESSE, v. (...ressen).