Wat is de betekenis van dienaar?

2020
2021-09-27
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

dienaar

Het begrip dienaar heeft 4 verschillende betekenissen: 1) hulp van een rijk persoon. iemand die voor zijn beroep een rijk of hooggeplaatst persoon in het dagelijks leven helpt en ondersteunt, bijvoorbeeld met huishoudelijke taken of als wachter of bewaker; bediende. 2) toegewijd persoon; volgeling. iemand die zich volledig toewijdt a...

Lees verder
2020
2021-09-27
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

dienaar

(18e eeuw) (sch.) mannelijk geslachtsdeel. Kijk ook onder: een vrouw dienen. • (Hans Heestermans: Erotisch Woordenboek. 1980)

Lees verder
2019
2021-09-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

dienaar

dienaar - Zelfstandignaamwoord 1. (beroep) iemand die in persoonlijke dienst van een meester is Hij werd door zijn eigen dienaren vermoord. Woordherkomst Naamwoord van handeling van dienen met het achtervoegsel -aar Synoniemen bediende, knecht Verwante begrippen di...

Lees verder
2018
2021-09-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

dienaar

dienaar - zelfstandig naamwoord uitspraak: die-naar 1. wie diensten voor iemand verricht ♢ zie hier uw nederige dienaar Zelfstandig naamwoord: die-naar de dienaar de dienar...

Lees verder
1998
2021-09-27
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Dienaar

Schertsend gebruikt voor de eerste persoon enkelvoud. Het WNT citeert hier N. Beets. Ook in andere talen, bijv. Engels Yours truly.Vgl. ook deze jongen. Waarna het Royal Philharmonic Orchestra zijn steen bijdraagt, en dat is heel vriendelijk van die mensen, maar uw dienaar heeft het altijd een beetje moeilijk gehad met rock die om de hand van ernst...

Lees verder
1977
2021-09-27
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

dienaar

dienaar - mannelijk lid. Nooit kunt gij, waarde lief!een trouwer dienaar vinden. Als ik staâg bij mij draag, Het vermakelijk A, B. C. 9 [± 1785].

Lees verder
1973
2021-09-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Dienaar

m. (-naren, -s), 1. persoon die iemand of iets dient, arbeid daarvoor verricht: de koning is de eerste dienaar van de staat; dienaar van de kroon, minister; dienaar van het gerecht, die de bevelen van de justitie ten uitvoer brengt; 2. iemand die een ander vrijwillig diensten of hulde bewijst, of die zich aan een persoon of zaak toewijdt: een dien...

Lees verder
1952
2021-09-27
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Dienaar

s., tsj inner, boade.

1950
2021-09-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Dienaar

m. (dienaren, -s), 1. persoon die iemand of iets dient, arbeid daarvoor verricht, doch niet in het beroep of bedrijf van de meester: de honing is de eerste dienaar van de staat; — dienaar van de kroon, minister; dienaar van 't gerecht, die de bevelen der justitie ten uitvoer brengt (thans diender, zie ald.);...

Lees verder
1926
2021-09-27
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Dienaar

Benaming van een arbeidsverhouding anders dan die van den slaaf en den daglooner. Verschillende woorden worden door de Statenvertaling met dezen naam overgezet. O.a. worden zoo genoemd:1. hofbeambten (Gen. 41 : 10); 2. overheidsdienaren (Joh. 18 : 3, 12); 3. de overheid zelve (Rom. 13 : 9). Vooral in geestelijken zin wordt het woord gebezigd: 4. va...

Lees verder
1898
2021-09-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Dienaar

DIENAAR, m. (dienaren, -s), persoon die iemand of iets dient, beambte de koning is de eerste dienaar van den staat; — dienaar van de kroon, minister; — dienaar des konings, hofbediende; — dienaar van *t gerecht, die de bevelen der justitie ten uitvoer brengt; — dienaar des Goddelijken woords, Protestantsch geestelijke; &mdas...

Lees verder
1898
2021-09-27
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Dienaar

zie Dediende.