Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Branderig

betekenis & definitie

BRANDERIG, bn. (-er, -st), eene branderige lucht, een branderig gevoel, aan brand doende denken;

— het eten smaakt branderig, heeft een branderigen smaak, is een weinig aangebrand;
— branderig sap van planten, scherp, bijtend, bij aanraking ontsteking veroorzakende;
— het paard is branderig, heeft brand in het lijf;
— eene branderige wonde, waarbij zich ontsteking voordoet;
— branderige oogen, pijnlijke oogen met roode, gezwollen oogleden;
— eene branderige huid, vol uitslag, met puistjes en zweertjes;
— een branderig gestel hebben, branderig zijn, dikwijls, spoedig een branderigen uitslag krijgen;
— varkensvleesch is branderig, maakt iem. branderig. BRANDERIGHEID, v.