Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

SMAAK

betekenis & definitie

SMAAK - m. (smaken), het zintuig, door middel waarvan wij proeven, waardoor de tong en het slijmvlies van het weeke gehemelte bepaalde indrukken van verschillende lichamen opnemen en naar de hersenen voortgeleiden, welke door geen ander zintuig kunnen worden waargenomen; mijn smaak is weg, ik kan niet proeven; een fijnen, scherpen smaak hebben; de smaken zijn verschillend;

— over den smaak valt niet te twisten;
— wat smaak geeft of geproefd wordt: dat vleesch, die wijn heeft een slechten smaak; zuiver water heeft geen smaak;
—, een kinderachtigen smaak in den mond hebben. flauw zijn;
— trek, eetlust: de zieke vindt nergens smaak in; zijn smaak terugkrijgen; iets met veel smaak nuttigen; eet met smaak;
— vermogen om over de schoonheden van een kunstwerk te oordeelen, kunst-, schoonheidszin: het lezen van schoone stukken vormt den smaak; hij heeft geen smaak voor muziek; hij is een man van smaak, zijn schoonheidsgevoel is flink ontwikkeld;
— dat is naar mijn smaak; een goeden, vreemden smaak hebben; er een zonderlingen smaak op nahouden;
— lust, neiging in, tot: smaak in lezen hebben; smaak in schilderen krijgen; ik kan er geen smaak in vinden;
— den smaak van iets beet hebben, het gaarne mogen;
— mode, heerschende kleederdracht: zij is gekleed naar den laatsten smaak; die hoeden, jassen kamen weer in den smaak. SMAAKJE, o. (-s), iets bedorvens, kwade smaak : er is een smaakje aan dat vleesch.