Bosch betekenis & definitie

BOSCH, o. (Zuidn. ook m.) (bosschen), een met opgaande boomen beplante grond, woud het Haagsche bosch; — een bosch rooien, de boomen eruit; het bosch verkoopen; — die heuvels zijn met bosch begroeid, geboomte, struikgewas; — struik boompje: frambozebosch; — (fig.) een bosch van masten, een groot aantal bij elkander liggende schepen, mastbosch; — huilen met de wolven waarmee men in het bosch is, zich naar zijn gezelschap schikken; — hout naar het bosch dragen. water naar de zee dragen, nutteloos werk doen; — in het bosch gekweekt (of grootgebracht) zijn, onbeschoft zijn; — (Z. A.) iem. om het bosch loopen, om den tuin leiden, bedriegen;—(Z A.) achter het bosch getrouwd zijn, scherts, gezegd van man en vrouw (meestal kleurlingen) die ongetrouwd samen leven. Boschje, o. (-s), zie aldaar.