Boomen betekenis & definitie

BOOMEN, (boomde, heeft geboomd), (kleine schepen, vlotten) in ondiep water met een boom voortduwen; — (deuren, luiken) met een sluitboom sluiten; — (weverij) den ketting door den evenaar uitgespreid op den kettingboom winden; — (van een fazant die wordt opgedaan) zich op een boomtak neerzetten; — (gemeenz.) gezellig praten, keuvelen over iets boomen, een boom opzetten; —(Zuidn.) de diepe groeven van een molensteen uithalen, in tegenstelling met maalkanten, de verhevenheden scherpen.