Wat is de betekenis van Bosch?

2019
2022-07-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Bosch

Bosch - Bijvoeglijk naamwoord 1. (demoniem) op Den Bosch ('s-Hertogenbosch) betrekking hebbend Voor de Bossche poorter gold in de eerste plaats Bosch recht.

Lees verder
1999
2022-07-04
Encyclopedie Groningen

Nieuwe Groninger Encyclopedie

Bosch

Verdwenen eiland in de Waddenzee tegenover Hornhuizen. Het behoorde toe aan het klooster van Aduard. Dit schonk in 1535 de helft aan Geert Lewe in borg Tamminga te Hornhuizen. De kloosterhelft kwam in 1594 in het bezit van Stad en Lande, die het in 1659 voor 7.300 gulden verkochten aan de heren Rengers en Lewe. De hoge duinen werden bij de Allerhei...

Lees verder
1994
2022-07-04
Lexicon Nederland en België

Lexicon van de geschiedenis van Nederland & België

Bosch

Bosch, Johannes, graaf van den, Nederlands staatsman, *2.2.1780 Herwijnen, +28.1.1844 's-Gravenhage. Van den Bosch ging in 1798 als luitenant naar Nederlands-Indië; hij nam in 1808 als kolonel ontslag. In Nederland teruggekeerd kreeg hij in 1815 de leiding van de directie van de Oostindische militaire zaken. Van den Bosch legde met zijn Verhandelin...

Lees verder
1980
2022-07-04
Blauwe Scheen

Lexicon Beeldende Kunstenaars

Bosch

Zie Bos.

1926
2022-07-04
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Bosch

Het woord „bosch” komt in onze Statenvertaling maar zeer zelden voor ter aanduiding van een aantal bij elkander staande boomen (Deut. 19 : 5 en Jes. 44 : 23). Het woord dat ’t oorspronkelijke daarvoor heeft is hetzelfde dat elders door „woud” wordt weergegeven. In Gen. 21 : 33 is een ander woord gebezigd, waardoor even...

Lees verder
1914
2022-07-04
West-Indië 1914

Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië

Bosch

De totale met bosch begroeide oppervlakte in Suriname mag op 14½ à 16 millioen H.A. geschat worden. Wat de formatie betreft, waarop de bosschen groeien, zoo kan men in hoofdzaak er drie onderscheiden. De eerste bestaat uit alluvium en strekt zich als een breede zoom langs de kust uit. Op meerdere plaatsen treft men in deze zone zand e...

Lees verder
1898
2022-07-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Bosch

BOSCH, o. (Zuidn. ook m.) (bosschen), een met opgaande boomen beplante grond, woud het Haagsche bosch; — een bosch rooien, de boomen eruit; het bosch verkoopen; — die heuvels zijn met bosch begroeid, geboomte, struikgewas; — struik boompje: frambozebosch; — (fig.) een bosch van masten, een groot aantal bij elkander liggen...

Lees verder
1870
2022-07-04
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Bosch

zie Houtteelt.

1869
2022-07-04
Geographisch

Geographisch-woordenboek

Bosch

voormalig eilandje benoorden de prov. Groningen, tusschen de eilanden Rottumeroog en Schiermonnikoog, was in 1535 nog bewoond door eenige visschers; het is thans slechts eene zandplaat, genaamd de Boschplaat.

1573
2022-07-04
Etymologicum 1573

Kiliaans Etymologicum Teutonicae Linguae

Bosch

Silua, nemus, lucus, saltus, vulgò boscum, buscum. gal. bois: ital. bosco: his. bosque: ang. busse. βοσκειν i. pascere.

Lees verder