Boorijzer betekenis & definitie

BOORIJZER, o. (-s), halfronde, holle ijzeren staaf eener boor (om gaten in hout te maken), onderaan voorzien van een scherp, schuin lepelblad (lepelboren) van een lepelblad met fretje eraan (fret-, handboor) eene ijzeren staaf eindigende in eene schroef met tanden en fretje, (schroef- of slingerboor); of in eene scherpe punt met mes en eene soort schaafje, (centerboor) van boven opgesloten in eene dwarsstaaf of kruk, óf in een houten omslag of zwengel die weder draait in een afzonderlijk beweegbaren leunknop; ook het onderste stalen stuk van metaalboren van onderen met vier, twee zijvlakken (vgl. dubbel, éénsnitsboor, centerboor); halfronde holle ijzeren staaf met scherp lepelblad, (appel-, veenboor).