Hout betekenis & definitie

HOUT, o. het harde, door den bast bedekte gedeelte der stammen en wortels mn boomen en heesters: eikenhout, beukenhout, grenenhout, djatihout enz.; timmerhout, werkhout, brandhout, verfhout enz.; in het hout schieten, (van een boom) in plaats van vrucht te zetten, nieuw hout maken; — groen hout, versch hout; dor hout; dood hout; kwastig hout; gevlamd hout; nat hout; hout hakken, klooven, zagen, snijden; hout sprokkelen; met hout stoken; tafels en banken van ruw hout; — hij is van het hout waarvan mm helden maakt, hij heeft eene heldennatuur, is een geboren held; — (Zuidn.) niet meer weten van wat hout pijlen te maken, geen uitkomst meer weten, niet weten, hoe zich uit de verlegenheid te redden; — hij is van groen hout gemaakt, dat in de zon is kromgetrokken, gezegd van iem. die mismaakt is; — alle hout is geen timmerhout, niet iedereen bezit de vereischte geschiktheid, men kan niet maar iedereen voor iets gebruiken; — dat snijdt geen hout, die redeneering, dat betoog geeft hier niet, ie hier niet van kracht; — van dik hout zaagt men planken, gezegd als men iem. een flink pak slaag voor de broek geeft; — het hout, de boomen, (ook) het kreupelhout; opgaand hout; er staat veel hoog hout; in het groene hout; het hert hield zich schuil in het hout; — kersen op het hout verkoopen, op den boom, ongeplukt; (ook) boschje, inz. in plaatsnamen: Berkhout, Oosterhout, Voorhout, Noordwijkerhout enz.; (in dezen zin ook m.) de Haarlemmer Hout, de Alkmaarder Hout; in den Hout wandelen; — (muz.) het hout, de gezamenlijke houten instrumenten in een orkest (in tegenstelling van het koper); (ook) die partituren welke door het hout worden uitgevoerd; — (scheepsb.) het schip staat vol hout, kiel, stevens en inhouten zijn geplaatst; — —, o. (-en), stuk hout: gooi nog een paar houten op het vuur; met houtjes stoken; — hij is zoo mager als een hout, zeer mager; — hij is een stuk hout, heeft totaal geen gevoel, geen hart; — iets dat van hout gemaakt is, inz. het kruishout: de Heer hing aan het hout, aan het kruis; — een hout aanbidden, een houten beeld; hij is van het houtje, (schimpend) hij is Roomsch-Katholiek; — van het houtje gesproten zijn, van onechte geboorte zijn; — iets op zijn eigen houtje doen, op eigen gezag, zonder verlof of machtiging iets verrichten; — (Zuidn.) dat gaat over zijn hout, dat gaat over de schreef, alle perken te buiten.

Laatst bijgewerkt 13-09-2018