Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Hout

betekenis & definitie

HOUT, o. het harde, door den bast bedekte gedeelte der stammen en wortels mn boomen en heesters: eikenhout, beukenhout, grenenhout, djatihout enz.; timmerhout, werkhout, brandhout, verfhout enz.; in het hout schieten, (van een boom) in plaats van vrucht te zetten, nieuw hout maken;

— groen hout, versch hout; dor hout; dood hout; kwastig hout; gevlamd hout; nat hout; hout hakken, klooven, zagen, snijden; hout sprokkelen; met hout stoken; tafels en banken van ruw hout;
— hij is van het hout waarvan mm helden maakt, hij heeft eene heldennatuur, is een geboren held;
— (Zuidn.) niet meer weten van wat hout pijlen te maken, geen uitkomst meer weten, niet weten, hoe zich uit de verlegenheid te redden;
— hij is van groen hout gemaakt, dat in de zon is kromgetrokken, gezegd van iem. die mismaakt is;
— alle hout is geen timmerhout, niet iedereen bezit de vereischte geschiktheid, men kan niet maar iedereen voor iets gebruiken;
— dat snijdt geen hout, die redeneering, dat betoog geeft hier niet, ie hier niet van kracht;
— van dik hout zaagt men planken, gezegd als men iem. een flink pak slaag voor de broek geeft;
— het hout, de boomen, (ook) het kreupelhout; opgaand hout; er staat veel hoog hout; in het groene hout; het hert hield zich schuil in het hout;
— kersen op het hout verkoopen, op den boom, ongeplukt; (ook) boschje, inz. in plaatsnamen: Berkhout, Oosterhout, Voorhout, Noordwijkerhout enz.; (in dezen zin ook m.) de Haarlemmer Hout, de Alkmaarder Hout; in den Hout wandelen;
— (muz.) het hout, de gezamenlijke houten instrumenten in een orkest (in tegenstelling van het koper); (ook) die partituren welke door het hout worden uitgevoerd;
— (scheepsb.) het schip staat vol hout, kiel, stevens en inhouten zijn geplaatst;

—, o. (-en), stuk hout: gooi nog een paar houten op het vuur; met houtjes stoken;
— hij is zoo mager als een hout, zeer mager;
— hij is een stuk hout, heeft totaal geen gevoel, geen hart;
— iets dat van hout gemaakt is, inz. het kruishout: de Heer hing aan het hout, aan het kruis;
— een hout aanbidden, een houten beeld; hij is van het houtje, (schimpend) hij is Roomsch-Katholiek;
— van het houtje gesproten zijn, van onechte geboorte zijn;
— iets op zijn eigen houtje doen, op eigen gezag, zonder verlof of machtiging iets verrichten;
— (Zuidn.) dat gaat over zijn hout, dat gaat over de schreef, alle perken te buiten.