Blazen betekenis & definitie

BLAZEN, (blies, heeft geblazen), met meer kracht dan gewoonlijk door de lippen uitademen op de trompet, de fluit blazen; daar zijn ze die ’t Wilhelmus blazen, daar zijn onze wakkere strijders, waarop wij rekenen kunnen; — (oorl.) den aftocht blazen, op een trompet het teeken tot den aftocht blazen; (ook fig.) heengaan; — in de bus blazen, veel geld betalen, afschuiven; — hij blaast mooi, (op eenig instrument); in de hand blazen; — katten blazen als zij kwaad zijn; ook wel van menschen gezegd; — met kracht waaien de wind blies hevig, blaast mij in het gezicht; — heete spijzen of dranken door blazen afkoelen; (spr.) beter hard geblazen dan den mond gebrand, voorzichtigheid kan nooit schaden; — (gemeenz.) winden laten; — verwijderen door te blazen stof van de tafel blazen; (fig.) hij kan geene veer van de lippen blazen, heeft volstrekt geene kracht meer, beteekent niets meer; — het is geblazen, verdwenen; — iem. iets in het oor blazen, hem iets fluisteren; — heet en koud uit één mond blazen, dubbelhartig zijn; — door blazen vervaardigen flesschen blazen; bellen blazen; — (damsp.) eene schijf blazen, wegnemen, omdat men niet geslagen heeft; — (fig.) ik zou je blazen, bedanken voor iets, weigeren iets te doen of op een voorstel in te gaan. BLAZING, v. (-en).

Laatst bijgewerkt 01-09-2018