Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Betrekkelijk

betekenis & definitie

BETREKKELIJK, bn. en bw. dat is betekkelijk, dat hangt er van af;

— de betrekkelijke zaak, daarop betrekking hebbende; ook de stukken betrekkelijk die zaak. de betrekkelijke stukken;
— (taalk.) betrekkelijke voornaamwoorden ook relatieve genoemd, voornaamwoorden die dienen om een bepalenden zin met een hoofdzin te verbinden (die, dat. welke, welk, dewelke, hetwelk, wie, wat. hetgeen:; zelf gebruikt het boek, dat, hetwelk; bijv. gebruikt wij hebben de Camera Obscura gelezen, welk boek ons goed bevallen is);
— betrekkelijke bijzin, bijzin door een betrekkelijk voorn, aan den hoofdzin verbonden;
— naar evenredigheid betrekkelijk gering;
— hij is er betrekkelijk goed afgekomen, het kon slechter gegaan zijn;
— het is betrekkelijk goedkoop;
— groot en klein, deugd en ondeugd zijn betrekkelijke begrippen, bestaan niet op zich zelf, maar alleen in betrekking tot andere;
— de betrekkelijke hoogte van een berg, boven de omgeving (in tegenst. met de volstrekte hoogte, boven de oppervlakte der zee);
— de betrekkelijke waarde der cijfers in een getal.