Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

ZIN

betekenis & definitie

ZIN, m. (-nen). het vermogen om gewaar te worden en waar te nemen : de mensch heeft vijf zinnen, het gezicht, het gevoel, het gehoor, de reuk en den smaak;

— bij alles moet men zijne zinnen bij elkander houden, met verstand en overleg te werk gaan;
— van zijne zinnen beroofd zijn, bewusteloos zijn, (ook) gek zijn;
— bij zijne zinnen komen, het bewustzijn terugkrijgen;
— hij is niet goed bij zijne zinnen, hij is niet goed wijs;
— zinnelijkheid : dat streelt de zinnen; vermaak, bedwelming der zinnen;
— zintuig: de zinnen kunnen bedriegen, men kan verkeerd waarnemen;
— de inwendige zin, het vermogen zichzelf, inz. in zijn geestesleven, te kunnen waarnemen;
— gevoel: zin voor het schoone, het goede hebben;
— verstand : veel denken verscherpt de zinnen; waar waren uwe zinnen, toen gij dat toestondt ?; de zinnen verblinden, begoochelen;
— wil: handel naar uw eigen zin; iemands zin doen; zijn (eigen) zin doordrijven, doorzetten; zij zijn één van zin, hebben denzelfden wil;
— meening, gedachte, voornemen : zooveel hoofden, zooveel zinnen; veel hoofden, veel zinnen, hoe meer menschen over eene zaak gehoord worden, hoe minder gemakkelijk men tot een besluit komt;
— er schiet mij iets in den zin, in de gedachte;
— dat is mij nog nooit in den zin gekomen, daaraan heb ik nog nooit gedacht;
— kwaad in den zin hebben;
— zijne zinnen op iets zetten, er voortdurend aan denken en naar streven;
— zet dat gerust uit uwe zinnen, denk daar maar niet verder aan, gij bekomt het toch niet, slaagt daarin toch niet:
— van zins, van plan, van voornemen : hij is van zins, te trouwen; wij zijn van zins, naar Indië te gaan;
— lust, trek, genoegen : ik heb daar geen zin in; men kan het niet ieder naar den zin maken; gaat het naar uw zin ?; hebt gij zin, mee te gaan ?;
— zin in een huis hebben, het willen huren of koopen;
— zin in iem. hebben, hem (haar) zeer genegen zijn, er op verliefd zijn;
— beteekenis, meening waarin eene zaak, eene handeling, een woord moet opgevat worden: ik begrijp den zin uwer woorden niet;
— veel woorden zonder zin; een woord in eigenlijken, in figuurlijken zin opvatten; in den letterlijken zin van het woord;
— spelen van zinnen, gedialogiseerde bespiegelingen over eene zedenkundige vraag, geheel in allegorischen vorm, voordrachten der vroegere rederijkers;
— volzin. ZINNETJE, o. (-s).