Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-03-2020

Berg

betekenis & definitie

Het begrip berg heeft 5 verschillende betekenissen:

1. berg - BERG, m. (-en), min of meer op zich zelf staande verheffing van de aardoppervlakte;
— (aardr.) zulk eene verheffing hooger dan 600 M.; in sommige streken noemt men verheffingen van den grond van 20 M. hoogte reeds bergen; op, in de bergen, in het bergland;
— vuurspuwende berg, berg die van tijd tot tijd rook en vlammen, benevens gesmolten gloeiende stoffen en slijk uitwerpt;
— (spr.) met een vasten wil kan men bergen verzetten, het bijna onmogelijke volbrengen;
— (bijb.) het geloof verzet bergen, wrocht wonderen;
— de berg baart eene muis, er is veel drukte en beweging gemaakt om niets;
— bergen en dalen ontmoeten elkander niet, maar menschen wel, gezegd bij eene zeer onverwachte ontmoeting;
— als de berg niet tot Mohammed wil komen, dan moet M. naar den berg gaan, tegenover iem. die niet toeschietelijk wil zijn, de minste wezen;
— ik heb wel eens hooger bergen zien dalen, menschen van meer invloed, van hooger aanzien zijn wel aan lager wal geraakt, dus...;
— (Zuidn.) den berg afgaan, achteruitgaan (in zijne zaken, gezondheid enz.);
— de berg van barmhartigheid, de bank van leening, de lommerd;
— hij ziet tegen een molshoop op als tegen een berg, tegen de geringste moeite ziet hij op;
— zijne haren rezen te berge, rezen omhoog;
— groote hoeveelheid, hoop, stapel: een berg zand; nog een berg kousen te mazen hebben; een berg papieren; een berg geld;
— (spr.) zich gouden bergen van iets beloven, er groote verwachtingen van hebben;
— iem. gouden bergen beloven, schoonschijnende beloften doen;
— (ook van onstoffelijke zaken) een berg van bezwaren, van moeilijkheden; tegen iets als tegen een berg opzien;
— hij is dien berg nog niet over, die moeilijkheid is hij nog niet te boven.

2. berg - BERG, m. (-en), barg, zwijn, inz. manlijke biggen van ongeveer 3 weken oud, die gesneden zijn.

3. berg - BERG, m. (-en), barg, open schuur met verstelbaar dak, inz. tot berging van hooi en graan hooiberg.

4. berg - BERG, o. uitslag op het hoofd, vooral bij kleine kinderen.

5. berg - BERG, m. (Zuidn.) verkorting van berg van barmhartigheid, bank van leening, lommerd: al hare juweelen staan al in den berg; iets uit den berg lossen