Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

BADEN

betekenis & definitie

(baadde, heeft gebaad), zijn lichaam geheel of gedeeltelijk in het water dompelen, een bad nemen ik baad in de rivier; (ook) zich baden; (bij vergel.) wij baadden tot over de enkels in de modder, waden;

— in zijn zweet baden, uitermate bezweet zijn;
— in zijne tranen baden, veel tranen vergieten;
— zich in het zonlicht baden, volop van den zonneschijn genieten;
— (zich) in weelde, in wellust baden, zich aan het genot ervan geheel overgeven;
— (zich) in het bloed der vijanden baden, veel bloed vergieten;
— hij baadde in zijn bloed, hij lag als ’t ware in het bloed dat uit zijne wonden gevloeid was;
— in een bad doen, een bad geven: we zullen het kind baden; het wordt elken morgen gebaad.