Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

BAAT

betekenis & definitie

v. (baten), nut, voordeel: dat komt hem te baat, te hulp, daarvan heeft hij voordeel;

— de gelegenheid, het middel te baat nemen, zich ten nutte maken, er gebruik van maken;
— min neemt list te baat, bedient er zich van, wendt het tot zijn voordeel aan;
— veel raad, maar weinig baat, weinig hulp;
— hij vond geene baat bij dat geneesmiddel, geene verzachting, genezing;
— hij gebruikte het eene middel na het andere, zonder baat, zonder herstel te vinden;
— (gew.) aan de baat zijn, aan de betere hand zijn;
geldelijk, stoffelijk voordeel, winst: deze zaak werpt geene baten af;
— de lasten overschrijden de baten, men moet er geld op toeleggen;
— (spr.) alle baat helpt, alle baatjes helpen, kleine winst moet men niet versmaden;
— ten bate van, ten voordeele van: de opbrengst der voorstelling komt ten bate der ongelukkigen;
— hij werd veroordeeld, omdat hij de gelden van de minderjarigen ten eigen bate had aangewend.