Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Koorts

betekenis & definitie

KOORTS, v. (-en), een symptoom bij verschillende ziekten, zich kenmerkende door hooge lichaamstemperatuur, versnelling van den polsslag en de ademhaling, koude rillingen, dorst, vermoeidheid en somtijds door duizeligheid en ijlen koude, heete koorts;

— anderdaagsche, derdendaagsche koorts, die om den anderen dag, om de drie dagen wederkeert;
— afgaande koorts, die vermindert;
— de koorts krijgen, er door aangevallen worden; de koorts hebben als een paard, in hooge mate de koorts hebben; verbeelding is erger dan de derdendaagsche koorts;
— gele koorts, eene, vooral in West-Indië heerschende, besmettelijke ziekte, die met brakingen en geelzucht gepaard gaat;
— iem. de koorts aflezen, afschrijven, hem op eene geheimzinnige wijze van de koorts genezen, (fig.) (w. g.) iem. een groot verlies berokkenen, (ook) iem. berouw over iets doen gevoelen;
— iem. de koorts op het lijf jagen, hem hevig doen verschrikken;
— (fig.) hevige begeerte, dolle drift: de goudkoorts; de vrijheids-, de revolutiekoorts. KOORTSJE, o. (-s).