Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gewoon

betekenis & definitie

GEWOON, bn. bw. (...woner, -st of meest-), gewend aan, gemeenzaam, vertrouwd met: ik ben het zoo gewoon, het aldus gewend; hij is aan zwaren arbeid gewoon; wij waren aan elkander zoo gewoon geraakt;

— hij was het rooken niet gewoon, hij rookte zelden;
— ik ben niet gewoon, mij te laten beleedigen, dat strijdt tegen mijne natuur, is mij ondraaglijk;
— hij was gewoon tot den eten een dutje te doen, had die gewoonte;
— waaraan men gewend is dat is mijne gewone plaats, waar ik iederen dag zit of sta;
— hoesten is zijne gewone kwaal, vindt hij niets vreemd; hij ging weer aan zijne gewone bezigheden, die hij dagelijks verricht;
— zijne gewone rondreize, die regelmatig op gezette tijden plaats vindt;
— met zijne gewone onbeschaamdheid, de hem eigene;
— mijn gewone dokter, dien ik altoos raadpleeg;
— eindelijk ben ik weer gewoon, in mijne gewone stemming;
— (Zuidn.) het ergens gewoon worden, gewend;
— gebruikelijk, algemeen aangenomen: de gewone manier van spreken, van doen; de gewone loop van zaken; hij volgt de gewone sleur; gewone denkbeelden en begrippen, die algemeen verspreid en bekend zijn;
— de gewone beteekenis van een woord, de meest gebruikelijke;
— van de meest voorkomende, de meest bekende soort: de gewone mol; de gewone asperge komt in het wild in onze duinen voor;
— in tegenstelling met buitengewoon; gewone leden eener vereeniging; eene gewone vergadering; gewone uitgaven; de bijeenkomst heeft plaats op den gewonen tijd;
— niet uitstekend, alledaagsch, ordinair: gewone stoelen; het gewone leven;
— gewoon verstand, eenvoudig menschenverstand, gezond verstand;
— een gewoon mensch, een gewoon sterveling, waarvan niets bijzonders te zeggen is, zonder opvallend karakter; hij is een braaf man, maar verschrikkelijk gewoon, onderscheidt zich door geenerlei gaven of talenten;
— bw. op de gewone, gebruikelijke wijze; jongen, ga toch gewoon zitten;
— in de gewone mate zij is meer dan gewoon begaafd; ronduit gezegd: dat vleesch is niet te eten; ’t is gewoon niet uit te houden, men kan het niet uithouden.