Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Zeggen

betekenis & definitie

I. (zegde, zeide, heeft gezegd, gezeid),

1. mondeling te kennen geven, het genoemde in woorden uiten, spreken : zei u iets?] hij zei dat hij dadelijk terug kwam; iem. goeden dag zeggen, groeten; de waarheid zeggen, niet liegen; — veel spreken, maar weinig zeggen, veel woorden bezigen zonder veel inhoud ; — hij houdt meer van zeggen dan van doen, hij belooft veel, maar doet weinig; zeggen en doen zijn twee; — hij is niet van veel zeggen, hij praat niet veel; — dat is genoeg gezegd, meer behoeft er niet te worden bijgevoegd ; — (volkst.) daar kun je donder op zeggen, daar kun je van verzekerd zijn ; — geen pap meer kunnen zeggen, doodop zijn; — het is niet gezegd, het is niet zeker; — hij staat daar of hij geen oui kan zeggen, hij staat er met de mond vol tanden ; — als aanspraak gebruiken : hij moet oom tegen mij zeggen, ik ben zijn oom; — ze zeggen Trien tegen haar, men noemt haar Trien; — als tw., zie Zeg; — in een bijz. toepassing: verzen zeggen, voordragen (gall.); — in minder eig. zin, waarbij alleen aan de inhoud gedacht wordt: men zegt, ze zeggen, men vertelt, algemeen spreekt men van; — ik heb mij laten zeggen, men heeft mij verteld; — (zegsw.) onder ons gezegd en gezwegen, in vertrouwen gesproken; — ik weet het slechts van horen zeggen, men heeft het mij verteld, ik ben er niet bij geweest; van horen zeggen komen de leugens in het land;

hij is gegoed, ik mag wel zeggen rijk, juister uitgedrukt; hij is, ik wil niet zeggen rijk, maar toch bemiddeld, ik wil niet beweren ; — zeg nu eens dat je niet gelukkig bent, dat kun je nu toch niet meer beweren; — het is niet te zeggen, wat een verdriet zij heeft, het is niet uit te drukken, zij heeft verbazend veel verdriet; — 't is toch wat te zeggen, het is van belang, het is erg: alweer dat goedstuk, 't is toch wat te zeggen, het is verdrietig, treurig ;

dat moet gezegd worden, lui is hij niet, om de waarheid niet te kort te doen : — dient om de rede te hernemen in : wat ik zeggen wit. zij was dan hier e.d. ; — hij is zo te zeggen klaar, nagenoeg, bijna klaar; — dat kost f9,93 of laten we zeggen f 10, laten wij het stellen op, rekenen voor ; — zo terloops gezegd, nu de gelegenheid zich voordoet ; — bij zichzelf zeggen, denken, voorgesteld als spreken tot zichzelf; — ik zal er het mijne van zeggen, mijn mening te kennen geven ; — zo gezegd, zo gedaan, zoals men zeide te zullen doen, werd gedaan ; — iem. dank zeggen, hem danken; —zegge, op kwitanties, aanwijzing van het bedrag: f100—, zegge honderd gulden ; — ook oneig. in ander verband : hij heeft er drie uur, zegge drie uur over gedaan, om te kennen te geven dat dit iets zeer bijzonders is; ook met versterking: zegge en schrijve;

2.bevelen, gebieden: maak dat je weg komt, zeg ik; hij het het zich geen tweemaal zeggen, hij volgde aanstonds het bevel, de uitnodiging op; niets te zeggen hebben, geen gezag hebben ; — als ik het voor het zeggen had, te beslissen, te bevelen had ; hij heeft het maar voor het zeggen, als hij zijn wens kenbaar maakt, wordt die dadelijk vervuld; vaak ook ironisch; — zich niet laten zeggen, geen rede verstaan, zijn eigen zin volgen;
3.beduiden, betekenen, te kennen geven: wat wil dat zeggen? wat wilt ge daarmee zeggen? dat is te zeggen, dat betekent; — dat wil wat zeggen, dat betekent heel wat; — 1000 gulden wil voor hem niets zeggen, betekenen niet veel bij hem; — (van een geschrift of tekst) tot inhoud hebben, inhouden: het oorspronkelijke zegt veel meer dan de vertaling;
4. als oordeel te kennen geven, vinden : wat zegt u er van? — wat zeg je dddr nu vani is dat niet wonderlijk, vreemd ?
5. (pregn. in ong. zin) aanmerken : wat heb je op zijn gedrag te zeggen? hij heeft op alles wat te zeggen-, een nieuwe hoed..., geen buitensporig fatsoen..., doch stellig een hoed om niets van te zeggen (Beets);
6. (als hoon of verwijt) toevoegen : zo iets laat ik mij niet zeggen;
7. (fig.) in geschrifte mededelen, vermelden : Vondel zegt ergens; hij zegt in zijn brief; wat zegt de Heilige Schrift daarvan? — de wet zegt, schrijft voor;

II. zn. o., het zeggen, te kennen geven, en vand. wat men zegt, het gesprokene: volgens zijn zeggen, naar hij zegt, beweerd heeft; het zeggen is..., men zegt... ; alles kwam op mijn zeggen uit, zoals ik te voren gezegd, voorspeld had ; dat is altijd mijn zeggen geweest, op deze wijze heb ik altijd gesproken.