Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Kennen

betekenis & definitie

(kende, heeft gekend),

1. bij zien of waarnemen weten of weder weten wie of wat men voor zich heeft, iem. of iets weten te onderscheiden van andere personen of zaken, identificeren: aan zijn lange baard is hij gemakkelijk te kennen; ik zou hem uit duizenden kennen; aan hun vruchten zult gij ze kennen (Matth. 7 : 16); (spr.) men kent de vogel aan zijn veren (Zuidn. pluimen); hij kent geen a voor een b, is geheel ongeletterd* heel dom; geen straten uit stegen kennen, het onderscheid in rang en stand niet zien;
2. met iemands persoon en uiterlijk bekend, vertrouwd zijn: wie bent u? ik ken u niet; kennen de heren elkaar?; ken je me nog?; ik zou hem niet kennen al viel ik over hem.; (Zuidn.) iem. van haar noch pluim kennen, helemaal niet; — iem. alleen van gezicht, van naam kennen, weten wie hij is maar nooit direct met hem kennis gemaakt hebben; — iem. niet willen kennen, hem niet meer groeten, geen omgang, betrekking met hem willen hebben; — als zijn eigenbelang op 't spel staat, kent hij niemand, behandelt hij allen als vreemden, ontziet hij niemand;
3. door omgang en maatschappelijk verkeer met iemands persoon van nabij bekend zijn: iem. persoonlijk, intiem, familiaar, heel goed, al lang kennen; zichzelf niet meer kennen, overmoedig worden; spr.: als niet komt tot iet, kent iet zichzelve niet; — (in ’t bijz.) van nabij met de goede en slechte eigenschappen van iem. of iets op de hoogte zijn, die weten: ik ken hem door en door; laat je niet met hem in, ik ken hem, ik weet wat je aan hem hebt; — wij kennen mekaar! wij weten wat wij aan elkaar hebben, wij hoeven elkaar niets wijs te maken; — leer mij de mensen niet kennen, vertel mij maar niets van hun slechte eigenschappen; elkaar leren kennen, kennis of nader kennis met elkaar maken; ik heb hem leren kennen, nl. zijn slechte eigenschappen; (spr.) ken u zelft opschrift van liet Isisbeeld in Oud-Egypte, en van de tempel te Delphi; — hieruit blijkt, dat hij zijn volkje kent, dat hij weet hoe men het moet aanleggen om het hun naar de zin te maken;
4. (iemand) erkennen in een of zijn hoedanigheid of waardigheid: zij kende hem niet meer voor haar zoon; — iem. in iets kennen, in die aangelegenheid zijn rechten erkennen, met hem te rade gaan, hem raadplegen: hij mag niets doen, zonder de burgemeester vooraf te kennen; ik ben in deze zaak niet gekend, men heeft er mijn mening, mijn advies niet over gevraagd, men heeft liet buiten mij om behandeld of beslist; — zich schuldig kennen, erkennen schuldig te 2ijn;
5. houden voor, achten, rekenen: zich vrij van iets kennen;
6. zich doen kennen, doen zien, openbaren wat men is: hij heeft zich als een bekwaam man doen kennen; — zich laten kennen, laten blijken wat (hoedanig) men werkelijk is, meestal in ongunstige zin: hij laat zich daaraan kennen als een schipperaar; hij liet zich aan een arme gulden kennen, toonde bij gelegenheid van het moeten uitgeven van een enkele gulden hoe gierig of inhalig hij was, ofwel: liet blijken dat hij te arm was om die te kunnen betalen of geven; — laat je niet kennen! aanmoediging om niet achter te blijven, zich niet te onthouden of niet toe te geven;
7. weten hoe of wat iets is, door persoonlijke ervaring met iets bekend of vertrouwd zijn: ik heb geen ver statui van bloemen, maar een roos ken ik toch wel; ik ken zijn hand (handschrift); ken je die schrijver? heb je wel eens iets van hem gelezen?; ik ken zijn bedoelingen, ben er van op de hoogte; zijn plicht kennen, weten waarin die bestaat; — iem. die de wereld kent, die veel ondervinding heeft opgedaan; — nooit gekende weelde, waarvan men nog nooit genoten heeft; — betere dagen gekend hebben, in betere omstandigheden hebben verkeerd, (van zaken) er vroeger fraaier uit gezien hebben; — zij kent de kracht der verleiding, weet hoe sterk die kan zijn; hij zal de kracht van mijn arm leren kennen, ondervinden hoe sterk ik ben; — in versch. vaste uitdr. met ontkenn.: geen groter genoegen kennen dan ..., niets prettiger vinden; — geen vrees, geen medelijden kennen, (tonen) die niet (te) bezitten; hij kent de slaap niet meer, weet niet meer, wat dat is, kan haast niet meer slapen; — hij kent geen gevaar, laat zich daardoor niet weerhouden; — in dat gezin kent Trien geen geluk, alles loopt hen tegen; — in Arabië kent men geen sneeuw, daar sneeuwt het nooit; — geen koude kennen, het altijd even warm hebben; — geen grenzen kennen, zonder grens, zonder beperking zijn;
8. de aard, het wezen, de waarde van iets beseffen en doorgronden: God kent de harten; de waarde van het geld niet kennen;
9. door onderricht of oefening bedrevenheid in of een duidelijk begrip van iets hebben, het verstaan, geleerd hebben: een vak, een ambacht kennen; die hond kent kunstjes; hij kent de letters nog niet; hij kent zijn les; ken jij Frans!; iets van buiten, uit het hoofd kennen; iets op zijn duimpje, op een prik kennen, er geheel mee vertrouwd zijn;
10. begrip hebben van, beseffen: ik ken mijn geluk niet nu ik daar eindelijk af ben, ik weet eigenlijk zelf niet hoe gelukkig ik nu ben; — (gew.) hoe hij dat heeft willen doen, (dat) ken ik niet, begrijp ik niet, gaat mijn verstand te boven;
11. in de uitdr. te kennen geven,
1°. doen weten, mededelen, (iem.) in kennis stellen van: zijn wens te kennen geven; geven met verschuldigde eerbied te kennen enz.;
2°. doen blijken, te verstaan geven: de uiterste verbazing te kennen geven; iets zijdelings te kennen geven.