Wat is de betekenis van zeggen?

2018
2023-02-05
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

zeggen

zeggen - onregelmatig werkwoord uitspraak: zeg-gen 1. het mondeling onder woorden brengen ♢ hij zegt dat hij geen tijd heeft 1. zo gezegd, zo gedaan [het is gebeurd zoals het was afgesproken]...

Lees verder
2014
2023-02-05
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

zeggen

in: hij zeit wat, kan mij wat schelen, zeur niet: DAAN 35.

2004
2023-02-05
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

zeggen

- het is te zeggen [afkorting: t.t.z.], dat wil zeggen. Het voorjaar van 2002 ging hij met pensioen. Het is te zeggen, Van der Meyden is nu actief in de circuswereld. - GvA, 09-08-2002. - en zeggen dat, en dan te bedenken dat zie omzeggens.

Lees verder
1998
2023-02-05
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Zeggen

1. dat je zegt, modefrase die erg in zwang is onder hedendaagse jongeren. Bet. zoveel als ‘in-derdaad’. Wordt gebruikt wanneer men zijn instemming met iets wil betuigen. Bijv. het was echt datje zegt geweldig. 2. ik zeg maar zo, ik zeg maar niks, ik geef geen commentaar. Dooddoener. Tevens titel van een succesrijk boek (over dooddoeners en clichés)...

Lees verder
1998
2023-02-05
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

zeggen

Bieden. In uitdrukkingen als: ‘iets zeggen’ en, aan het begin van een spel gericht tot een niet oplettende gever, ‘jij moet het zeggen’. De term is ondanks de opkomst van bidding boxes, waarmee zwijgend wordt geboden, gangbaar gebleven.

1997
2023-02-05
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

zeggen

In Vlaanderen komt volgens Mullebrouck (1984) voor loop zeg het aan de paster van Lapscheure! Lapscheure is een dorp in de gemeente Damme in West-Vlaanderen. Omdat iemand zich ergerniswekkend gedraagt, verwenst men hem naar elders. De betekenis komt overeen met ‘rot op’. Bij navraag in 1999 bleek dat nog 11 van de 111 Vlaamse zeg...

Lees verder
1981
2023-02-05
Zuidnederlands Woordenboek

Schrijver op Ensie

zeggen

1. In de verb. 't is te zeggen (veelal afgekort tot: t.t.z.) (gall., ter vert, van fr. c’est-à-dire), dat wil zeggen (d.w.z.), dat is (d.i.), met andere woorden (m.a.w.); - ook: dat is te zeggen (om te kennen te geven dat een bep. uitspraak niet volledig strookt met de waarheid en een aanvulling of verbetering...

Lees verder
1973
2023-02-05
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

zeggen

I. (zei, zeide, heeft gezegd), 1. mondeling meedelen, het genoemde in woorden uiten, spreken: iemand goeden dag —, groeten; wou jij ook nog wat — ?, in het midden brengen; dat hij erg blij was, hoef ik je zeker niet te —, dat spreekt van zelf; ik zou liegen, als ik het anders zei, zo is het nu eenmaal; ik kan aardig timmeren, al z...

Lees verder
1952
2023-02-05
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Zeggen

v., sizze, sei, sein; (for)telle; iets —, lûd jaen; — waar het op staat, út ’e ban bite, nearne foar omhelje; daar valt niets van te —, dêr is gjin sizzen fan; veel, weinigover, gâns, net folie meitsje fan; tehebben over, kediz...

Lees verder
1950
2023-02-05
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Zeggen

I. (zegde, zeide, heeft gezegd, gezeid), 1. mondeling te kennen geven, het genoemde in woorden uiten, spreken : zei u iets?] hij zei dat hij dadelijk terug kwam; iem. goeden dag zeggen, groeten; de waarheid zeggen, niet liegen; — veel spreken, maar weinig zeggen, veel woorden bezigen zonder veel inhoud ; — ...

Lees verder
1937
2023-02-05
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

zeggen

I. zeide of zei, h. gezeid of gezegd (1 mondeling mededelen; woorden uiten; spreken; vertellen; 2 bevelen; 3 beduiden, betekenen; 4 oordelen; 5 aanmerkingen maken op; verwijten; 6 schrijven; schriftelijk mededelen; vermelden; 7 bewijzen): . 1. Ja, zei hij; hij zegt niet veel, maar denkt des te meer; bij verg. piep, zei de muis in het schilderhuis;...

Lees verder
1930
2023-02-05
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

zeggen

I. (zei, zegde; heeft gezegd) 1. mondeling mededelen, spreken: tegen, tot iemand iets -; wat zeg je? of je zegt? hij zegt niet veel, maar denkt des te meer; nu jij zegt...; iets hebben horen -; de mensen zoveel; gauwer gezegd dan gedaan; de waarheid -; zeg het ronduit; onder ons gezegd (en gezwegen). Gez. bij, tot zichzelf -, hardop denken; daar...

Lees verder
1911
2023-02-05
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Zeggen

van den Germ. wt. sag, Idg. seq = zeggen.

1898
2023-02-05
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Zeggen

Het begrip zeggen heeft 2 verschillende betekenissen: 1. zeggen - ZEGGEN, (zegde, zeide, heeft gezegd, gezeid), mondeling (iets) te kennen geven, woorden uiten, spreken : iem. goeden dag zeggen, groeten ; de waarheid zeggen, niet liegen ; — veel spreken, maar weinig zeggen, veel woorden bezigen zonder veel inhoud ; — het oorspronkelijk...

Lees verder
1864
2023-02-05
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Zeggen

Zeggen, bw. onr. (ik zeide, heb gezegd), mondeling (iets) te kennen geven, woorden uiten, spreken; (fig.) te - hebben, gezag uitoefenen, kunnen gebieden; wat wil dat -? wat beduidt of beteekent dat? het - is, men zegt, naar men wil, volgens gerucht; naar het - van..., volgens hetgeen... vertelt; zich niet - laten, geene rede verstaan, zijnen eigene...

Lees verder