Wereld
v. (-en), 1. het heelal, de hemel en de aarde met alles wat zij bevatten : God schiep de wereld in zes dagen ; — in het jaar der wereld..., na de schepping ; — het vergaan van de wereld, de ondergang van de stoffelijke kosmos ; (zegsw.) het was (een lawaai) of de wereld verging ; de donder rolde of het hemelgewelf k...