Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Deur

betekenis & definitie

v. (-en), door draaien of schuiven beweegbaar verticaal deel, toegang gevende tot een huis, vertrek, kast enz. : een gang met vele deuren ; de deur uitgaan; de deur openen, sluiten, toedoen, aanzetten (niet geheel sluiten); de ketting, de grendel op de deur doen; — de deur van een oven, een stoomketel; de deurtjes van een haard ; — dubbele deur, met twee scharnierend verbonden beweegbare delen; — gebroken deur, met twee boven elkaar gelegen beweegbare delen; ook alleen het beweegbare gedeelte; halve deur, onderdeur; — met de deuren gooien, ze toesmijten (in woede); — een glazen deur, waarvan de bovenhelft ruiten bevat; — zoete deuren, de binnendeuren ener zeesluis; zoute deuren, de buitendeuren; — (R.-K.) schuif in de biechtstoel; het deurtje krijgen, niet geabsolveerd worden; — (in ’t bijz.) huisdeur, de deur die toegang tot de woning verleent; — (meton.) in de deur staan, op de drempel van het deurkozijn staan; — aan, bij de deur staan, in de nabijheid der deur (ook in de deur); een praatje aan de deur ; — aan de deur kloppen, als verzoek om binnengelaten te worden; — ergens mee aan de deur komen, er langs de huizen mee venten ; — buiten de deur, buiten deur, op straat; — bij iem. de deur (de drempel) platlopen, hem buitengewoon vaak bezoeken; — iem. de deur (het gat van de deur) wijzen, hem gelasten zich te verwijderen; — iem. de deur voor de neus toedoen, hem op een bruuske wijze buitensluiten; — de stok staat achter de deur, hem wacht bij zijn thuiskomst geen prettige ontvangst; lening met de stok achter de deur, met het dreigement van een gedwongen lening; je wil staat achter de deur, gezegd tegen kinderen die zeggen „ik wil (niet)” ; — met het bijdenkbeeld van de gehele woning: er komen geen bedelaars aan mijn deur; hij gaat van deur tot deur, van huis tot huis; — ik kom de deur niet uit, kom niet buiten; — bij de deur blijven, niet ver van huis gaan; — dat gaat mijn deur voorbij, (fig.) dat valt mij niet te beurt; — (gemeenz.) dat is nogal niet naast de deur, nogal ver weg, op grote afstand ; (ook) dat is geen kleinigheid; — zijn deur voor iemand sluiten, iem. niet in zijn woning toelaten; — hij is de deur uit, niet meer in huis, inz. heeft voorgoed het ouderlijk huis verlaten; — de beren lopen om zijn deur, (fig.) zijn crediteuren maken het hem lastig; —een rechtszaak met gesloten deuren behandelen, zonder toelating van publiek ; — stelsel, 'politiek van de open deur, vrijhandel; — met de deur in huis vallen, (eigenl.) door de straatdeur onmiddellijk in ’t woonvertrek komen, (fig.) zonder voorafgaande inleiding met een verzoek, een mededeling voor den dag komen; — dat is aan een dovemans deur geklopt, dat verzoek vindt in ’t geheel geen gehoor ; — (w. g.) iem. voor de rode deur hebben, nemen, hem kapittelen, de les lezen; — de winter, de armoede staat voor de deur, is nabij ; — de deur openzetten voor allerlei knoeierij, er gelegenheid toe geven; — dat doet de deur toe, dat geeft de doorslag ; dat maakt alle verdere redenering overbodig; dat is nog het ergst van alles ; — (spr.) een zilveren hamer verbreekt ijzeren deuren, voor geld krijgt men alles gedaan; — de open deur roept de dief, gelegenheid maakt de dief; — open deuren inlopen, zich inspannen om iets onnodigs te doen, te betogen enz.; vgl. schuif-, vleugel-, paneel-, valdeur ; balkon-, tuin-, straatdeur ; branddeur ; onder-, boven-, voor-, achterdeur enz.