Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Uitmaken

betekenis & definitie

(maakte uit, heeft uitgemaakt),

1. wegmaken, doen uitgaan : die vlekken kun je met vlekkenzeep uitmaken;
2. (wat geschreven is) doorhalen, uitwissen;
3. een verloving uitmaken, afbreken, verbreken;
4. (samen) vormen : de koning en de ministers maken de regering uit; die sommen, bijeengeteld, maken zoveel uit;
5. zich in de genoemde mate doen gelden, te betekenen hebben, beduiden : wat maken nu f 10 op de hele rekening uit? ; wat maakt dat uit?;
6. tot een besluit brengen, beslissen: zij moeten het samen maar uitmaken; dat moet ieder voor of met zichzelf uitmaken; — definitief vaststellen: dat de aarde om de zon draait, is uitgemaakt; zie ook Uitgemaakt;
7. uitschelden, met de vermelde kwalificatie noemen: iem. voor dief, leugenaar, voor al wat lelijk is uitmaken.