Wat is de betekenis van uitmaken?

2019
2022-09-26
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

uitmaken

uitmaken - Werkwoord 1. (ov) een einde maken aan bijvoorbeeld een relatie Ze hebben het na drie jaar toch uitgemaakt. 2. (ov) doven (van vuur) Ik heb het vuur uitgemaakt met een flinke puts water. 3. (ov) beslissen, verschil maken ...

Lees verder
2018
2022-09-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

uitmaken

uitmaken - regelmatig werkwoord uitspraak: uit-ma-ken 1. zorgen dat het niet meer brandt ♢ we hebben het vuur uitgemaakt 2. van belang of van invloed zijn ♢ maakt het uit of we over Amsterdam ri...

Lees verder
1973
2022-09-26
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Uitmaken

(maakte uit, heeft uitgemaakt), 1. wegmaken, doen verdwijnen; 2. afbreken, verbreken: een verloving uitmaken; 3. (samen) vormen: dat maakt een belangrijk deel uit van de onkosten; het genoemde vertegenwoordigen, zijn: dat maakt juist de waarde ervan uit; 4. beduiden: voor hem maakt dat niets uit; 5. beslissen: zij moeten het samen maar uitmaken...

Lees verder
1963
2022-09-26
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar

uitmaken

(maakte uit, heeft uitgemaakt), (ook:) uitdoen, uitschakelen (licht, radio e.d.). Dharma keerde zich om, liep naar de plaats waar de radio stond en maakte die uit (Barron 1981a: 74). - Zie ook: maken( ) (11.1), aanmaken( ).

Lees verder
1952
2022-09-26
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Uitmaken

v., útmeitsje; iem.voor al wat mooi en lelijk is, immen swart en wyt forwite; het is niet uit te maken, it is bûten ried.

1950
2022-09-26
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Uitmaken

(maakte uit, heeft uitgemaakt), 1. wegmaken, doen uitgaan : die vlekken kun je met vlekkenzeep uitmaken; 2. (wat geschreven is) doorhalen, uitwissen; 3. een verloving uitmaken, afbreken, verbreken; 4. (samen) vormen : de koning en de ministers maken de regering uit; die sommen, bijeengeteld, maken zoveel uit; 5. zich in...

Lees verder
1939
2022-09-26
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Uitmaken

Iemand inmaken met woorden.

1937
2022-09-26
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

uitmaken

maakte uit, h. uitgemaakt (1 een einde maken aan; 2 vormen; 3 beslissen; 4 uitschelden, noemen; 5 betekenen; 6 wegmaken, doen verdwijnen): 1. een verloving uitmaken; 2. deze heren maken het bestuur uit; 3. het is een uitgemaakte zaak, een voldongen feit; wie kan dat uitmaken? dat moeten ze samen maar uitmaken; dat moet hij met zich zelf uitmaken; 4...

Lees verder
1930
2022-09-26
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

uitmaken

('uit) (maakte uit, heeft uitgemaakt) 1. doen verdwijnen: de vlekken met zeep -. 2, doen ophouden: een twist -. Svn. → beslechten. 3. doen eindigen: een verloving -. 4. vormen : deze heren maken het bestuur uit. 5. beslissen : iets samen -; dat is een uitgemaakte zaak. 6. uitschelden : iemand voor fielt -. → honderd. 7. betekene...

Lees verder
1898
2022-09-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

UITMAKEN

UITMAKEN - (maakte uit, heeft uitgemaakt), doen uitgaan: die vlekken kunt ge met vlekkenzeep uitmaken; — wat geschreven is doorhalen, uitwisschen; — eene kachel uitmaken, het vuur doen uitgaan; — vormen : de koning en de ministers maken de regeering uit; die sommen, bijeengeteld, maken zooveel uit; — beslissen: wij moeten...

Lees verder