Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Doen

betekenis & definitie

(deed, heeft gedaan),

I. overg.: het meest algemene ww. om een persoon of zaak als iets (dat al of niet nader genoemd wordt, resp. uit het verband blijkt) verrichtend voor te stellen.
1. de op de voorgrond tredende oorzaak ener werking zijn, een werking verrichten (syn.: handelen, uitvoeren, verrichten, maken, bewerken; tegenstellingen : ondergaan, laten ; denken, willen, praten, zeggen) : wat doe je daar? bij al wat hij doet, denkt hij daaraan ; — (spr.) doen is een ding, zie Ding; — zeggen en doen zijn twee, een belofte (bedreiging enz.) wordt niet altijd vervuld ; — zo gezegd, zo gedaan ;niets doen dan, zich uitsluitend bezighouden met: zij deed niets dan praten ; — hij doet het er om, hij doet het opzettelijk ; — absol.: al doende leert men, door het verrichten zelf van werkzaamheden leert men hoe het moet; —

verbonden met een substantief dat uitdrukt wat door de handeling ontstaat of voltooid wordt: een gebed doen, bidden; een vraag doen, vragen; boete, een eed, een greep, een goed huwelijk, een gelofte, een moord, zonde, een poging doen enz.; — iem. bescheid doen, zijn dronk beantwoorden ; — zijn gevoeg doen, aan een natuurlijke behoefte voldoen ; (eufem.) (gemeenz.) wat doen, ontlasting hebben ; moet je wat doen? moet je naar het privaat; — ook als eufem. voor lijfsgemeenschap hebben; — zaken doen, handel drijven; goede zaken doen, winst behalen; absol. : met wie doet hij? handelt hij ; een winkel doen, winkelier zijn ; — zijn plicht doen, doen wat de plicht eist; — zijn wil doen, doen wat men wil; — met vnw. of telw dat de verrichte werking aanduidt: Jan heeft het gedaan ; iets, niets, veel, alles doen ; — ’t welk doende enz., slot van een verzoekschrift (volledig luidde dit slot oudtijds: ’t welk doende, zo zult gij weldoen, en wij zullen God (de maagd Maria enz.) voor U bidden); — het zijne doen, wat men behoort te doen; — ik heb veel te doen, vele bezigheden ; die zaak heeft veel te doen, er gaat veel om ; — wat heeft dat kind gedaan? misdreven; hij heeft het altijd gedaan, hij moet het altijd ontgelden, krijgt de schuld van alles; — (gemeenz.) het doen, de gewenste werking verrichten, b.v. van een kachel die gaat branden: hij doet het, zal het niet doen ; de bal doet het; ook : de gewenste of een bep. uitwerking hebben: dat detail doet het hem; die plaat doet het daar goed; — ik doe het er mee, ik kom er mee rond, bestrijd er mijn uitgaven mee; — hij kan het wel doen, wel betalen ; — in vragen naar een gesteldheid: wat doet het buiten?er is wat te doen, er valt iets voor, er is een feestje, een standje ; — in die stad is veel te doen, veel drukte, vertier; — over die zaak is heel wat te doen geweest, ze heeft veel sensatie en drukte veroorzaakt; — dat is nog eens te doen, dat geeft niet veel moeite ; (ook) dat kost niet veel; —ik doe het, neem de voorslag aan ; — dat doe ik met je, daar wil ik om wedden; — wij doen een cent het fiche, spelen; zie ook Gedaan;

2.(met een plaatsbepaling) ergens plaatsen, steken, leggen, zetten, wegstoppen enz.: iets in zijn zak doen; doe wat op de kachel; zout in het eten doen; doe er een ei door; water in een emmer doen; — in de ban doen, in de ban verklaren; — een jongen op school doen, hem laten schoolgaan; — een jongen op timmeren doen, bij een timmerman in de leer ; — brengen : koeien in de weide doen; een brief op de post, op de bus doen; — er bij doen, er aan toevoegen ; — (Zuidn.) als hij vertelt, doet hij er wat onder, vertelt hij er wat leugens by ; — (Zuidn.) er onder doen, bedriegen; (ook) dwaas handelen; — ik doe er nog wat op, bied nog meer ; — iem. iets of iem. aan de hand doen, bezorgen; — er het zwijgen toe doen, daarop maar zwijgen; —
3. veroorzaken, berokkenen, laten ondergaan of ondervinden: iem. verdriet, pijn, genoegen doen; iem. recht, onrecht doen, laten wedervaren; het doet mij goed, het doet mij aangenaam aan, (ook) het versterkt mij, is mij nuttig; — iem. iets cadeau, present doen, iets schenken ; — (volkst.) dat doet me lol, dat vind ik aardig, (ook) ik lach er wat om; — dat heeft hem de dood gedaan ; — wees maar niet bang, hij zal je niets doen, je geen kwaad doen ; — zijn eerzucht heeft het hem gedaan, heeft zijn ongeluk veroorzaakt; — zich aan iets te goed doen, smullen (ook fig.); — dat doet het hem juist, dat is juist de oorzaak, reden ;
4. (gew.) geven : doe mij een borrel, twee pon;
5. kosten, opbrengen: wat moet dat boek doen? wat doet dat huis van {aan) huur?zulke grappen doen opgeld, men heeft er succes mee ;
6. doe straat, kamer, trap enz. doen, schrobben, boenen enz.; — zijn haar doen, kammen, borstelen, opmaken;
7. dat doet er niet(s) toe, dat verandert de zaak niet, (ook) dat is voor ’t ogenblik van geen belang ; — het is niets gedaan met ..., het staat er slecht mee voor ; of: daar is niet veel aan, niet veel mee te beginnen, van te verwachten; — ik kan er niets aan doen, ik kan het niet verhelpen, verhinderen; — met iem. te doen hebben, een zaak, strijd, twist met iem. hebben; (ook) medelijden met iem. hebben; — dan krijg je met mij te doen, dan krijgen wij ruzie; — ik heb heel wat met hem te doen, te stellen, ik heb moeite met hem; — ’t is hem te doen om rijk te worden, dat is zijn doel; — 't is om je geld te doen, je moet opdokken;
8. in de toestand brengen die door de bep. wordt aangeduid: te niet doen, vernietigen (zie verder Tenietdoen); — dood doen, doodmaken, nog in Z.-Ned. (ook aaneengeschreven);

II. onoverg., handelen, tewerkgaan:

1. doe niet zo wild;hij deed zo raar, zo vreemd, handelde, gedroeg zich zo ; — lief doen, om iem. tot iets over te halen ; — hoe moet ik doen, als hij komt? hoe mij gedragen ; — dat is geen doen, geen manier van doen, geen behoorlijke manier van handelen ; — dat is geen doen wordt ook gebruikt voor: dat is niet te doen ; — (volkst.) je doe maar, ga je gang maar, geneer je maar niet (meest iron.); — hij doet, alsof hij hier baas is, uit wat hij doet, zou men dat opmaken, hij gedraagt zich zo; — ik deed maar of ik het niet hoorde, nam de schijn aan; — hij doet maar zo, neemt de schijn maar aan, meent het niet; — doe wel en zie niet om ; — heb ik daar kwaad aan gedaan? was dat slecht gehandeld, (ook) was dat niet voordelig ? — ge zult wijs, verstandig, goed doen, met nog intijds terug te treden; zijn best doen, zie Best;
2. ergens zekere tijd over doen, er zo lang mee bezig zijn, voor nodig hebben ; — aan iets doen, zich er mee bezig houden, er werk van maken: hij doet veel aan tekenen; — aan postzegels doen, er liefhebberij in hebben, ze verzamelen ;
3. in brandstoffen doen, er in handelen;
4. (Zuidn.) naar iets doen, het trachten te bekomen; (ook) naar iets schieten, werpen enz. ; — (Zuidn.) tegen iem. doen, het tegen iem. te doen hebben, er tegen strijden, vechten; (ook) met hem moeten afrekenen;
5. (gew.) gaan : hij dee op huis aan;

III. vroeger (tot in de 17de eeuw) ook als hulpwerkw. van de onbep. wijs : daer na so doet verlangen mijn vorstelick ghemoet (Wilhelmus); — tegenwoordig nog met voorafgaande infinitief: begrijpen doet hij er niets van; eten doen we alle dagen ; — als oorzakelijk hulpww.: ik doe opmerken dat enz.; iets doen of doen doen; een steen deed hem struikelen ; doen te weten ; — als plaatsvervanger van een vroeger genoemd of reeds bekend werkwoord : hij zingt beter dan hij vroeger deed; liegen dat hij doet! — (Zuidn.) het doet, toch wel, zeker wel; — ’t en doet, dat is niet zo, toch niet; — IV. In zelfst. gebr. (o.): ’t gaat in één doen door, ’t is één moeite ; — iemands doen en laten, zijn handel en wandel, zijn levenswijze; — hij is daar (het) doen en laten, hij heeft er alles te zeggen ; — iets van doen hebben (ook aaneengeschreven), nodig hebben; — ergens mee van doen hebben, mee te maken hebben; — er is geen doen aan, er is niets tegen te doen; (ook) men kan er niet mee klaar komen ; — (koopli.) boekweit in één doen, van dezelfde prys; in goeden doen zijn, komen, welvaart genieten, geld hebben; — het is het oude, gewone doen, als altijd; — uit zijn gewone doen zijn, uit zijn gewone levenswijze (dagverdeling enz.); — voor hun doen, in verhouding tot hun vermogen, tot wat men van hen gewoon is.