Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Sturen

betekenis & definitie

(stuurde, heeft gestuurd),

1. (overg.) een bep. richting doen volgen, langs een zekere weg doen gaan: de vinnen der vissen dienen voornamelijk om te sturen; — (abs.) het stuur bedienen: hij reed met zijn wagen naar de stad en stuurde zelf; — inz. door middel van stuur of roer een schip richten, het een bepaalde koers doen volgen: naar een haven sturen; met een stuurrad, met een roerpen sturen; — fig., met betr. tot zaken, een verloop waaraan men zekere richting geeft: de zaken in een verkeerde richting sturen; alles in de war sturen; het daarheen sturen dat...;
2. (onoverg.) naar het roer of stuur luisteren, zich laten sturen: dat schip wil niet sturen; dit schip stuurt als een vis, luistert goed naar het stuur; die auto stuurt erg makkelijk;
3. (overg.) doen gaan, zenden: iem. om vlees sturen; ze werd van tafel gestuurd; een kind om een boodschap sturen; om de dokter sturen, hem laten komen; wij stuurden naar de dokter, zonden hem een boodschap; een kind naar school sturen; — doen toekomen: iem. een brief, een telegram sturen; — (spr.) gestuurd vlees smaakt niet, men moet iem. niet aan een man of vrouw willen koppelen.