Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Vissen

betekenis & definitie

(viste, heeft gevist),

1. vis vangen of trachten te vangen (met enig instrument): met de hengel, met het werpnet vissen ; naar kabeljauw vissen ; (bij uitbr.) uit het water ophalen of trachten te halen ; parels, barnsteen, sponzen vissen ; naar het anker, de kabel, een drenkeling vissen ; — scherts, ook met betr. tot andere vloeistoffen : een lepel uit een ter rille met soep, een stokje uit zijn thee vissen; — (spr.) in troebel water is ’t goed vissen, waar verver warring heerst, doet de oneerlijke man zijn voordeel; achter het net vissen, te laat komen ; — met een zilveren hengel vissen, vis kopen als men ze niet heeft kunnen vangen ; — voor eens vissers deur vissen, vergeefse moeite doen ; — elk vist op zijn getij, ieder neemt de gelegenheid waar om vooruit te komen ;
2. (fig.) naar iets vissen, trachten het te weten te komen ; ook abs.: hij zat wel te vissen, maar ik het niets los.