Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Weg

betekenis & definitie

m. (-en),

1. (concr.) smalle strook grond in een landschap, gebruikt en geschikt gemaakt voor het verkeer, de verbinding van de ene plaats tot de andere: een weg aanleggen ; gebaande wegen; de weg naar Delft; een brede, een smalle, een drukke, een geasfalteerde weg; een weg met bomen; vgl. straat-, spoorweg; — de grote weg, de voornaamste in een bep. gebied, heirweg; — een holle weg, die veel lager is dan de grond aan weerskanten, ravijn; een bedekte weg, waar men tegen het vuur van de vijand beschut is ; — (zegsw.) dat is zo oud als de weg naar Kralingen, de weg naar Rome, zeer oud ; — hij is altijd bij de weg, aan het lopen, op straat; — aan de ioeg timmeren, in het publiek optreden; (spr.) die aan de weg timmert, lijdt veel aanstoots, vindt veel berechts, wie in het publiek optreedt, moet velerlei aanmerkingen, veler oordeel horen; — alle wegen leiden naar Rome, men komt ten slotte altijd bij de katholieke Kerk terecht of terug; ook meer alg. om aan te duiden dat men op velerlei wijzen tot een doel kan komen ; — de brede weg (fig.), de gemakkelijke weg naar het zedelijk verderf (Matth. 7 : 13); — de koninklijke weg t(zie Koninklijk);schone wegen lopen niet ver, wat aangenaam is, duurt meestal niet lang;
2.(in meer of geheel abstr. zin) de baan, de richting die men volgt of volgen moet om ergens te komen : hij volgde de gewone weg; hij wist welke wegen zij zorgeloos ging(H. de Vries); de weg naar Indië; iemand de weg wijzen, uitduiden; de weg weten; naar de weg vragen, vragen in welke richting men gaan moet; — (fig.) naar de bekende weg vragen, vragen naar iets dat men zelf zeer goed weet; dezelfde weg houden, in dezelfde richting gaan ; — zichop weg begeven, op weg gaan, uitgaan naar zeker punt;hij is op weg naar Leiden, hij gaat in de richting van Leiden ; onder weg, zie Onderweg; — (Zuidn.) te wege zijn, op Let punt zijn; — zijns weegs gaan, verdergaan, zich begeven naar zijn doel of bestemming (ook oneig.); — op de rechte, goede, verkeerde weg zijn, in de goede, verkeerde richting gaan, ook fig. met betr. tot het leven, het zedelijk gedrag, een onderzoek enz.; — iem. op de rechte weg brengen, hem terechtwijzen, ook fig. ; — (fig.) iem. op weg helpen, helpen, aanwijzingen geven om tot zeker doel te komen;op weg raken, op dreef; — hij is op weg beroemd te worden, hij wordt langzamerhand beroemd ; — dat ligt op uw weg, gij zijt als aangewezen dit te doen; het ligt niet op mijn weg u daarover te onderhouden, ik ben daartoe niet geroepen;

(iem.) in de weg staan, (hem) de doortocht verhinderen, belemmeren : die stoelen staan daar in de weg; hij staat mij daar niets in de weg, voor mijn part blijft hij daar staan ; — (fig.) het vet zit hem niet in de ueg, hij is mager; «daar zit mij iets in de weg, iets maakt mij kregel; — iem. iets in de weg leggen, hen dwarsbomen, hinderen; — .hij staat mij in de weg, belet dat ik mijn doel kan bereiken ; — er is iets in de weg gekomen, er hebben zich zwarigheden voorgedaan ; — hij zal mij nog wel eens in de weg komen, ik zal hem nog wel eens ontmoeten, spreken, ik zal nog wel eens met hem afrekenen; — voor iem. uit de weg gaan,ter zijde treden om hem te laten voorbijgaan, (fig.) hem mijden, (ook) zich zijn mindere achten; — (fig.) zwarigheden uit de weg ruimen, verwijderen, ze doen vervallen; iem. uit de weg ruimen, hem doden; — met elkander over weg kunnen, zie Overweg ; — in fig. toepassing met betr. tot het leven en de levenswijs : de, zijn weg door het leven vinden ; hij zal zijn weg ivel vinden, hij zal wel in de wereld vooruitkomen ; — zijn (eigen) weg gaan, naar eigen inzicht handelen; inz. geen anderen navolgen ; — de weg der deugd bewandelen, een deugdzaam leven leiden; de koninklijke weg, zie Koninklijk; — de weg van alle vlees gaan, sterven; — een zware weg, een bittere levenservaring die men door moet maken ; — fig. ter aanduiding van de wijze of het middel om tot een doel of resultaat te geraken: langs deze weg slaagde men er in de stof te bereiden ; oplossing van geschillen langs vreedzame weg; de weg van rechte; zich van slinkse wegen bedienen, slinkse wegen gaan; dat is de kortste, de zekerste weg, de kortste, zekerste wijze om zijn doel te bereiken : — (scheik.) langs de droge weg, door verwarming; langs de natte weg, door oplossing ; — de wegen der Voorzienigheid, de beschikkingen Gods ;

3.lengte der verbinding, af te leggen afstand tussen twee plaatsen: de kortste weg tussen twee punten is de rechte lijn die ze verbindt; dat is nog een hele weg ; nog een lange weg voor zich hebben; te halver wege omkeren, ook fig., het opgeven vóór men zijn doel bereikt heeft;
4.mogelijkheid, gelegenheid om te verkeren, om een punt te bereiken, doortocht: zich een weg banen door de bossen ; het water heeft zich een weg gebaand door de bodem; — (zegsw.) weg met iets weten, weten wat er mee te doen, hoe het te gebruiken; met zijn tijd, zijn geld geen weg weten, niet weten hoe daarmee aan te vangen ;
5.(bij vergel.) kanaal, buis enz. waardoor zich iets beweegt: de wegen van het bloed, de gal;
6. fig. ter aanduiding van een reeks stadia die doorlopen of bewerkingen die ondergaan worden : de weg van grondstof tot fabrikaat; het is een lange weg van de bewaarschool tot de promotie.