Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Schipper

betekenis & definitie

m. (-s), SCHIPPERTJE, o. (-s).

1. gezagvoerder van een schip (in de spreekt, alleen in toepassing op die van kleine schepen, als rechtst. in meer alg. zin); — (fig.) hij is schipper te voet geraakt, hij is afgezet, uit zijn betrekking ontslagen; — schipper en stuurman tevens zijn, besluiten nemen en ze zelf uitvoeren;
2. onderofficier met de rang van sergeant-majoor bij de marine;
3. (thans inz.) hij die het bestuur over een binnenvaartuig heeft, binnen- of veerschipper, beurtschipper: geeft dat maar met de schipper mee.