Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Alleen

betekenis & definitie

I. bn. (uitsl. praedic.), 1. zonder gezelschap : ik zat urenlang alleen; die moeder laat dat kleine kind vaak alleen thuis; het is niet goed dat de mens alleen zij : de eenzame is altijd alleen, maar wie alleen is, behoeft zich daarom nog niet eenzaam te gevoelen; ook van gepersonifieerde zaken: een ongeluk komt zelden alleen; — zonder getuigen; ik wilde u alleen spreken, ontmoeten ; — zonder metgezel als steun of hulp : de Vader heeft mij niet alleen gelaten (Joh. 8 : 29); alleen staan. (In deze laatste opvatting mag alleen ook met het ww. aaneengeschreven worden : alleenblijven, -laten, -zitten ; vgl. alleenstaand);

2.zonder iemands medewerking handelend zonder hulp ; dit werk heb ik alleen uitgevoerd (nadruk op alleen) : Jan heeft alleen rijn werk gemaakt, niemand heeft hem geholpen ;’t kind loopt al alleen ;’t is te gek om alleen te lopen, dat is al te dwaas, te ongerijmd; — elliptisch: samen zouden we ’t wel kunnen, maar alleen is er geen denken aan;
3.uitsluitend de of het genoemde geldend of bedoelend ('t bepaalde woord heeft nu de nadruk, vgl. boven): God alleen is goed, niemand anders ; Jan alleen heeft zijn werk gemaakt, niemand anders dan Jan ; — alleen zijn oom was overgekomen; al een de Liefde kan deze wonden genezen ; voor u zing ik alleen ; ik alleen wens u te spreken ; er is geen God dan Gij alleen ; het nieuwe alleen kon haar behagen ; — den alleen wijzen God zij ere ; —

II. bw.,

1. uitsluitend, slechts, enkel (nadruk op ’t bepaalde zinsdeel): langs deze weg alleen kunt gij er komen, niet langs een andere weg; — hij leeft alleen voor de wereld, voor niets anders dan deze; Jan heeft alleen zijn werk gemaakt, maar zijn lessen niet geleerd ; beklaag mij niet, hoor mij alleen aan; ik kan alleen uw vriendin zijn, niets meer; ik wilde u alleen maar even spreken; enkel of enig en alleen : ik kom enig en alleen om u te groeten;
2.de verbinding niet alleenmaar ook treedt met verbleekte betekenis als aaneenschak. voegw. op : dit werk is niet alleen aangenaam, maar ook nuttig, (bijna gelijk aan) is aangenaam en nuttig;
3.als, bw. voor ’t zinsverband drukt het een beperking of een uitzondering uit: ik vind dit opstel goed, alleen is het wat langdradig; deze bloemen zijn verwelkt, alleen de roos ziet nog vrij fris;
4. in sterker opvatting: maar, doch : het middel zou goed zijn, alleen : het is te duur.