Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Paard

betekenis & definitie

o. (-en), (gew., sport en Zuidn. PEERD)

1. sterk en fraai viervoetig last- en trekdier (Equus caballus), uit de familie der eenhoevigen; het onderscheidt zich van de andere door de langbehaarde staart, korte opstaande oren en lange manen: een Arabisch, Engels, Fries paard; een bereden, mak, schichtig, koppig paard; een wild, dampig, stijf, bevangen (verkouden) paard; — te paard stijgen, klimmen, zitten, rijden; te paard komen; een optocht te paard, cavalcade; een paard bij de toom houden, leiden; — paarden van zessen klaar; paarden afrijden, er mee voor het eerst rijden, als zij nieuwe hoefijzers hebben gekregen; ook schichtige paarden, door ze hard te laten lopen of te laten werken vermoeien, afmatten, om ze gemakkelijk te kunnen leiden; — paard onder de man, rijpaard; paard en rijtuig houden; — hij houdt er een paard op na, hij bezit een rijpaard; — dit paard tekent niet meer, is aftands, is boven de 8 jaar; — (Zuidn.) zo dom als het paard van Christus, zo dom als een ezel, zeer dom; — (zegsw.) gauw op zijn paard zijn (Zuidn. springen), gauw toornig, boos worden; — iem. te paard helpen, hem voorthelpen, begunstigen, ondersteunen; hem er boven op brengen; — iem. over het paard tillen, hem te veel roemen, prijzen, hem een grotere dunk van zich geven dan hij verdient; — met de paarden van Sint Franciscus, op zijn apostelspaarden, te voet; — een ziekte komt te paard en gaat te voet, een zware ziekte komt meestal spoedig aan, maar men herstelt er langzaam van; — man en paard noemen, de naam voluit zeggen van hem die het verteld heeft of die iets gedaan heeft; (ook) niets verzwijgen, iets in alle bijzonderheden vertellen; — dat paard ruikt de stal, begint harder te lopen; (flg.) hij gaat meer zijn best doen; — oude paarden jaagt men aan de dijk, als men iem. niet meer nodig heeft, ontslaat men zich er van; — een gehuurd paard en eigen sporen maken korte mijlen, geleend of gehuurd goed spaart men minder dan eigen goed; — die mei een paard uitgaat, gaat met zijn meester uit; — jong te paard, oud te voet, wie in zijn jeugd te weelderig leeft, lijdt armoede op zijn oude dag; — men moet geen gegeven paard in de bek zien, een geschenk moet men niet te nauwkeurig beoordelen; — beter een blind paard dan een ledige halster, iets is nog altijd meer dan niets; — een blind paard zou er geen schade doen, gezegd van een armoedige inboedel; — het paard, de paarden achter de wagen spannen, te laat met iets komen, (ook) de zaak verkeerd aanpakken; — achteruitgaan als een hollend paard, hollende achteruitgaan; — paarden die de haver verdienen krijgen ze niet, verdienste wordt niet altijd beloond; — het oog van de meester maakt het paard vet, die zelf zijn zaken bestuurt, vaart er het beste bij; — men kan een paard niet lopende beslaan, alles vereist tijd; — het hinkende paard komt achteraan, de bezwaren, de lasten tonen zich aan het einde; — het beste paard van stal, het beste dat men heeft; — de beste paarden worden op stal gezocht, het past huwbare meisjes niet om al te uithuizig te zijn; — het beste paard struikelt wel eens (Zuidn. ’t beste paard kan ook vallen of een paard mistreedt hem wel een keer en dat is zo’n groot beest), de beste en verstandigste kan soms dwalen; — dat paard zal mij niet meer slaan, voortaan zal ik wijzer wezen; — een paard op de stang rijden, het flink de teugel doen gevoelen; — men moet een paard de rug niet stukrijden, men moet van iets of iem. niet te veel eisen; — het gevleugeld paard, Pegasus, de dichthengst; — hij is zo sterk als een paard, hij is buitengewoon, in hoge mate sterk; evenzo: werken, zweten als een paard; de koorts, een honger als een paard hebben; — een, hoer als een paard, een grote hoer; — een wijf als een paard, een zware, grote vrouw.
2. afbeelding, nabootsing van een paard: het paard in een schaakspel;paard van een draaimolen; — het paard van Troje, het nagemaakte paard waarmee de Grieken Troje hebben ingenomen; het paard van Troje inhalen, iets doen waardoor men zichzelf argeloos iets kwaads op de hals haalt; — een houten paard, een hobbelpaard.
3. (gymn.) toestel op vier poten, voor gymnastische oefeningen.
4. (sterr.) het Grote Paard, Equus, Pegasus; het Kleine Paard, Equuleus, Cyllaris, namen van twee sterrenbeelden.
5. het ijzeren paard, de locomotief; ook: rijwiel.
6. (timm.) soort van schraag om de onderlagen in een bedstede te dragen; houten schraag om daarop hout te zagen.
7. (Zuidn.) snijbank om tabak, stro enz. te snijden.
8. (bij leidekkers) houten stoel die met een haak op het dak vastgemaakt wordt.
9. (zeew.) rij balken onder het midden van het onderste of op één na onderste dek geplaatst.
10. touw of ketting langs de raas van zeilschepen, waarop de matrozen staan bij het behandelen van de zeilen.
11. (bouwk.) spits toelopende afdekking van een stenen muur, ezelsrug. Zie ook PAARDJE.