Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Eer

betekenis & definitie

I. bw. (eig. een comparatief, waarnaast eerder als nieuwe vergr. trap),

1. vroeger: hij was er eer dan ik; hoe eer, hoe liever; hoe eerder, des te beter;
2. in vergel. die niet op de tijd betr. hebben: met meer recht, waarschijnlijker: dat zou ik eer van hem dan van jou verwacht hebben; zijn vader is eer arm dan rijk, hij is volstrekt niet rijk; — liever: ik zou dat nog eer doen;
3. voegw. bw., voordat, alvorens: ik wou liever..., eer ik dat deed.

II. ere, v., g. mv.,

1. het bezit van achting in en erkenning als gelijkwaardig of volwaardig lid van de maatschappij of een maatsch. kring, en al wat daarmee samenhangt: een zaak van eer; een man van eer; zijn eer te grabbelen gooien; iem. in zijn eer herstellen; hij is op ’t veld (het bed) van eer gevallen, in de strijd (ook fig.); — iemands eer te na komen, trachten te verminderen ofwel: daarmee niet verenigbaar zijn; — iets op zijn eer verzekeren, zijn eer als ’t ware tot onderpand stellen; op mijn eer! {op) mijn woord van eer, mijn goede naam is er waarborg voor; — de eer aan zich houden, een voor de eer krenkende bejegening vermijden of voorkomen, b.v. zelf bedanken eer men bedankt wordt; zijn eer ophouden, zijn goede naam handhaven; — de eer is bewaard, ’t geld bespaard, gezegd wanneer men iem. welstaanshalve heeft uitgenodigd en deze bedankt, (scherts.) wanneer iets niet is geschied wat men zich had voorgenomen; — met ere, zonder krenking daarvan, op eervolle wijze: met God en met ere door de wereld komen,zijn kinderen grootbrengen; zich met ere van een opdracht kwijten, zo dat men er eer mee behaalt; dat is geen doen met ere, dat is niet te doen zonder zijn eer te kort te doen, (ook) dat is geen fatsoenlijke manier van doen; — arm met ere, kan niemand deren, eerlijk arm is geen schande; —

bij uitbr.: wat als passend (fatsoenlijk enz.) beschouwd wordt: ’s lands wijs, ’s lands eer;

2. in ’t bijz. van vrouwen: bezit of naam van kuisheid, ongereptheid van een meisje, huwelijkstrouw der vrouw (als zaken waarom zij geëerd worden): een meisje haar eer ontnemen, haar schenden; zij is haar eer kwijt; — in alle eer en deugd; een kus in ere kan niemand deren;
3. datgene wat iem. zedelijk aanzien, een goede of grote naam verschaft: ik reken het mij tot een eer, nooit voor iemand gekropen te hebben; een halve seconde eerder aan te komen is bij hen een grote eer; dat strekt u niet tot eer;de man is de eer van het huis, geeft het gezin aanzien, stand;
4. verheffing tot of stijging in hoger aanzien, erkenning van zedelijke hoedanigheden of van bekwaamheden: geloond met lof en eer; ter ere van —, om te vieren, het aanzien te verhogen: ter ere Gods; — een geprotesteerde wisselbrief accepteren ter ere van —, in vertrouwen op —; — de eer van iets hebben, als de bewerker geprezen worden; — eer met iets inleggen, (Zuidn.) eer van iets halen, er lof door verwerven; — geen eer van iets hebben, geen voldoening (door erkenning van anderen); — er is geen eer aan te behalen, gezegd van een lastige jongen, een ondankbaar mens, een werk dat niet vlotten wil; — zijn geboorte, zijn naam eer aandoen, beantwoorden aan de verwachtingen, die men op grond daarvan koestert; (scherts.) de tafel eer aandoen, de nodige eer bewijzen, goed eten; die daad doet uw hart eer aan, is een bewijs van uw goed hart;
5. hoog aanzien, staat waarin men (door waardigheden enz.) boven anderen uitsteekt: in eer en aanzien leven;

iem. in ere houden, hem achten, (ook) hem erkentelijk zijn; (bij uitbr.) een dag, een gebruik in ere houden, blijven vieren, blijven volgen;

6. behandeling of bejegening die het aanzien van een persoon of zaak verhoogt, hulde, verering: de overwinnaar eer bewijzen, geven; ere wie ere toekomt; ere zij God!iem. de laatste eer bewijzen, zijn begrafenis bij wonen; — met militaire eer begraven worden, met het ceremonieel dat voor de begrafenis van militairen is vastgesteld (muziek, saluutschoten enz.); — zulk een moeilijke opdracht is een grote eer, onderscheiding (waaruit de achting blijkt); — de eer genieten van —, dit als een onderscheiding ondergaan;

(als beleefdheidsvorm) met wie heb ik de eer {te spreken); ik heb de eer u te melden; het zal me een eer zijn...;

7. (Zuidn.) de schoonheid, glans van nieuwe voorwerpen (meubelen, kleren).