Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Trap

betekenis & definitie

I. m. (-pen),

1. het trappen: het is een hele trap van hier naar Amsterdam op de fiets;
2. een enkele handeling van trappen, stamp: een trap op de grond geven.;
3. schop: iem. een trap geven; ook fig.;
4. trede, ieder der terugwijkend boven elkaar gelegen vlakken waarlangs men naar een hoger punt kan opklimmen, resp. naar beneden afdalen; in ’t bijz. ieder dier vlakken (treden) v. een trap: het water vloei langs trappen omlaag; het is 40 trappen hoog; de trappen opgaan, afgaan; — (spr.) de trappen van het stadhuis zijn glibberig, wie een trouwpartij bijwoont, glijdt licht zelf in de huwelijksfuik, van trouwen komt trouwen; (scherts.) iem. de trappen laten tellen, hem van de trappen smijten; — hij is van de trap(pen) gevallen, zijn haar is geknipt;
5. graad van opklimming: hij klom van trap tot trap, telkens een rang naar boven; op de eerste trap van de maatschappelijke ladder; zij staan op een hoge trap van beschaving, van ontwikkeling; — bij, in trappen, in opeenvolgend hogere stadia, trapsgewijs;
6. (taalk.) de trappen van vergelijking (van de bijv. naamw.), de verschillende vormen der bn. die aanduiden in welke graad de hoedanigheid in de zelfstandigheid aanwezig is of daaraan wordt toegekend: de stellende, de vergrotende, de overtreffende trap;
7. (muz.) afstand van een noot tot de naastvolgende in dezelfde toonladder, toontrap;

II. v.,

1. vaste constructie van opeenvolgende treden, waardoor men lopende naar een hoger of lager gelegen plaats, inz. in een gebouw of schip, van verdieping naar verdieping kan komen: een steile, hoge, donkere trap; trappen klimmen; trap op trap af lopen; van de trap vallen; — een scheve trap, waarvan de plattegrond scheefhoekig is; — scheluwe trap, een dubbel scheve trap; — Engelse trap, wenteltrap met open trapgaten; vgl. kelder-, toren-, wenteltrap;
2. (meton.) als maat: een trap hoger; hij woont drie trappen hoog, op de vierde verdieping; — plaats die men bereikt langs een trap: zij wonen op één trap, zij bewonen bovenkamers die één gemeenschappelijke trap tot opgang hebben; buren op dezelfde trap;
3. trapladder;

III. v. ( pen), trapgans; de zeldzame grote trap (Otis tarda) is 72 + 28 cm lang en kan wel 15 kg zwaar worden; de kleine trap (O. tetrax) is maar 37 + 13 cm.