Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 19-01-2019

Eigendom

betekenis & definitie

Eigendom - het zakelijk recht om van een zaak het vrij genot te hebben en daarover op de meest volstrekte wijze te beschikken, mits men er geen gebruik van make, strijdig met de wetten, en verordeningen, daargesteld door de daartoe volgens de Grw. bevoegde macht, en mits men aan de rechten van anderen geen hinder toebrenge (625 B.W.). — Meermalen toch wordt het genot van den eigendom door wet of verordening zeer belangrijk beperkt (men denke b.v. aan het vaststellen van rooilijnen, het leggen van bouwverboden door gemeenten). Volgens de rechtspraak van den Hoogen Raad mogen de verordeningen (de wetten zijn door hare onschendbaarheid aan het oordeel van de rechterlijke macht onttrokken) echter nimmer het geheele genot aan den eigenaar ontnemen. Is zulks noodig, dan moet onteigening plaats hebben. Ook de rechten van anderen kunnen het genot van den eigendom zeer beperken, in het bijzonder (maar niet uitsluitend) wanneer de rechten op de zaak zelve betrekking hebben, hetzij ze persoonlijk (b.v. huur) of zakelijk (b.v. erfpacht, opstal, beklemming, vruchtgebruik, erfdienstbaarheid) zijn.

In het laatste geval duidt men den aldus beperkten eigendom veelal aan als blooten eigendom. — Hij wien het eigendomsrecht toekomt, heet eigenaar; men zegt, dat de zaak hem toebehoort. — Minder eigenlijk spreekt men niet alleen van eigendom van lichamelijke zaken, maar ook van rechten (zie art. 626 in verband met art. 555 B. W.); beter spreke men daar echter eenvoudig van het hebben daarvan. Zoo spreekt men van intellectueelen en industrieelen eigendom. — Eigendom is wel te onderscheiden van bezit, dat slechts een, zij het in rechte (zelfs tegenover den eigenaar, 613 B.W.), beschermde feitelijke verhouding tot een zaak uitmaakt, terwijl eigendom de rechtsverhouding van den rechthebbende tot de hem behoorende zaak aanduidt. Bij roerende zaken naderen beide begrippen elkaar, daar hier de wet aan het bezit eene bescherming toekent, welke die van den eigendom zeer nabijkomt. Art. 2014 B. W. toch verklaart voor de meeste roerende zaken, dat bezit volkomen geldt als titel; zie BEZIT. — Ieder eigendom wordt vermoed vrij te zijn; hij, die beweert eenig recht op eens anders zaak te hebben, moet dat recht bewijzen .(627 B.W.). — De eigendom van den grond bevat in zich dien van hetgeen op en in den grond is, behoudens tegenbewijs. De eigenaar kan op den grond alle beplantingen doen en gebouwen stellen, welke, hij goedvindt; behoudens de uitzonderingen van burenrecht en erfdienstbaarheden. Onder den grond mag hij naar goedvinden bouwen en graven en uit dat graven alle vruchten trekken, behoudens de uitzonderingen, gemaakt bij de wetten en verordeningen van politie op het stuk van mijnen, uitveening en andere dergelijke onderwerpen (626 B.W.). — Een zaak kan aan één of aan meer personen gezamenlijk in eigendom behoren; zie voor dit laatste geval CONDOMINIUM. Als zakelijk recht kan het eigendomsrecht tegenover ieder, die daarmede in strijd komt, worden gehandhaafd; de daartoe strekkende eigendomsacties worden petitore vorderingen genoemd (vergel. 621 B.W.). Bij geschil omtrent de vraag, wie eigenaar is, kan sequestratie plaats hebben (1775 B.W.). In het bijzonder heeft de eigenaar het recht de aan hem toebehoorende zaak van iederen houder terug te vorderen, in den staat waarin zij zich bevindt (629 B.W.); zie REVINDICATIE. Eigendom wordt verkregen door toeëigening, natrekking, verjaring, erfopvolging en, doch alleen wat betreft onroerend goed en schuldvorderingen op naam, door opdracht of levering ten gevolge van een rechtstitel van eigendomsovergang, afkomstig van dengene, die gerechtigd was over den eigendom te beschikken (639 B. W.). Ten aanzien van roerend goed en van schuldvorderingen aan order en aan toonder doet levering ten gevolge van een rechtstitel van eigendomsovergang aan een verkrijger te goedetrouw den eigendom overgaan, ook wanneer de rechtstitel niet afkomstig is van iemand die gerechtigd was over den eigendom te beschikken (2014 B. W.). Eigendom gaat dus niet over door een overeenkomst zonder meer (zie voor koop en verkoop 1495 B.W., voor schenking 1726 B.W., voor verbruikleening 1792 B.W.).

Zij, die onze tegenwoordige maatschappelijke orde veroordeelen wegens de daarbij bestaande economische ongelijkheid tusschen de menschen (zie COMMUNISME en SOCIALISME), kanten zich vooral tegen den eigendom en tegen het erfrecht; tegen den eigendom, daar dit van alle rechten aan het individu de meest volkomene beschikking over goederen toekent, tegen het erfrecht, omdat dit dat beschikkingsrecht van geslacht op geslacht bestendigt. Het verst gaat in zijne veroordeeling van den eigendom wel Proudhon, wiens uitspraak „Eigendom is diefstal” algemeene bekendheid heeft verkregen. In het bijzonder wordt de eigendom bestreden, voor zooverre zij zich uitstrekt over de productiemiddelen. Van andere zijde wordt echter de individueele eigendom beschouwd als een der meest noodzakelijke grondslagen van een goede maatschappelijke orde, zonder welke geen voldoende prikkel tot arbeid en dus geen economische welstand mogelijk is. Daarenboven zou afschaffing van den individueelen eigendom in strijd zijn met het natuurrecht.

Tegen aantasting van dat recht moet dus met nauwlettendheid worden gemaakt, in het bijzonder tegen aantasting, van den kant der gemeenschap, van de overheid dus. In menige grondwet is deze gedachte tot uitdrukking gekomen en werd de eigendom meer dan andere rechten met waarborgen omgeven. Zoo waken de artt. 151 en 152 onzer Grw. voor geval van onteigening voor de belangen van den eigenaar en bepaalt art. 158, dat de kennisneming van alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende rechten bij uitsluiting behoort aan de, van het uitvoerend gezag onafhankelijke, rechterlijke macht. Art. 17 der „Déclaration des droits de Thomme” van 1791 noemt den eigendom zelfs „un droit inviolable et sacré”.

Volgens de Chr. ethiek, komt e. in volstrekten zin alleen aan God toe (Ps. 24 : 1,1 Cor. 10: 26). Dit betreft niet alleen geld en goed, maar ook de beschikking over den mensch zelven. (1 Cor. 6 : 19, 20). De mensch(heid) is slechts vruchtgebruiker en rentmeester. Maar juist deze opvatting laat toe, in het eigendomsrecht, hetzij persoonlijk of gemeenschappelijk eene beschikking Gods te zien, die moet worden geëerbiedigd. Hiermede kan natuurlijk gepaard gaan beperking van dat recht in vorm en omvang.

Maar de band met het verleden, bepaaldelijk met ouders en verwanten (erfrecht), de waarde van persoonlijke inspanning, de onberekenbare levensleiding, enz., vormen hierbij faktoren, die niet kunnen worden genegeerd. Toch zijn in de Chr. kerk altijd stemmen opgegaan tegen den e., met beroep op Jezus’ z.g. evangelischen raad (zie CONSILIA EVANGELICA) aan den rijken jongeling, en op de handelwijze der oude christengemeente te Jeruzalem (zie COMMUNISME). Beide voorbeelden bedoelen echter geen algemeenen regel. — De sekten, die het Koninkrijk Gods onmiddellijk op de aarde wilden realiseeren, hebben steeds e. en bezit aangetast. Ook het kloosterleven stelt als eisch mede de armoede, maar deze alleen als afstand van particulier eigendom, waardoor de geestelijke stichtingen juist zeer rijk konden worden.