Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 17-01-2019

Socialisme

betekenis & definitie

Socialisme - Met dit woord vat men samen verschillende richtingen op maatschappelijk gebied, welke de economische ongelijkheid tusschen de menschen willen wegnemen door afschaffing van den individueelen eigendom, althans wat de productiemiddelen (met inbegrip van den grond) betreft en afschaffing van het individueele erfrecht. Wordt alleen of in hoofdzaak socialiseering der productiemiddelen beoogd, zoo spreekt men veelal van collectivisme in tegenstelling met communisme, dat met alle particulier bezit wil breken. De ' oudere socialisten hadden haast allen zuiver communistische idealen. Naarmate de invloed van het socialisme op de politiek toenam en het, in verband daarmede, meer rekening moest houden met het praktische leven, heeft het zich meer in collectivistische richting ontwikkeld.

Karl Marx, die meer dan iemand anders het socialisme als politieke macht heeft beïnvloed, stond op collectivistisch standpunt. De wenschen, door het socialisme ook thans nog gekoesterd, rijn het beste te kennen uit het in 1847 door Marx en Engels samengestelde Communistisch Manifest, dat niettegenstaande zijn naam veeleer een algemeen socialistisch program bevat. — Van het socialisme is wel te onderscheiden het anarchisme, hoewel ook dit zich tegen de bestaande maatschappelijke orde verzet. Het bestrijdt echter alle staatsgezag, terwijl het socialisme van dat gezag juist alle heil verwacht. In hun bestrijding van de tegenwoordige rechtsorde gaan socialisme en anarchisme echter veelal samen. — Behalve de onder Communisme genoemde schrijvers zijn als voorloopers van het tegenwoordige socialisme te vermelden : Claude Henri, graaf de Saint-Simon (1760—1825), van wiens werken vooral bekend zijn : „Réorganisation de la société européenne” (1814) en „Nouveau Christianisme” (1825), en diens volgelingen Bazard, Enfantin en Olinde Rodrigues, — Charles Fourier (1772—1837), die in zijn „Théorie des quatre mouvements” (1808) en „Le nouveau monde industriel et sociétaire” (1827) een indeeling der menschen in groepen (phalanges, te zamen wonende in kazernes: phalanstères) bepleitte, welke gedachte verder werd gepropageerd in „Destinée sociale” (1837/8) van Victor Considérant, die van 1854—63 in Texas zonder succes dit denkbeeld trachtte te verwezenlijken, — Johann Gottlieb Fichte (1762—1814), die in zijn „Geschlossener Handelsstaat” (1800) wil, dat de staat de geheele productie tot zich zal trekken, opdat geen weeldeartikelen worden geproduceerd, zoolang niet in de eerste levensbenoodigdheden van allen is voorzien, — Louis Blanc (1811—1882), die in zijn „Organisation du travail” (1841) oprichting door den staat van coöperatieve productieondernemingen voorstaat, welke langzamerhand de geheele voortbrenging aan zich zullen moeten trekken (de gedeeltelijke verwezenlijking van dit denkbeeld door de oprichting van ateliers nationaux in 1848 liep op een mislukking uit), — Ferdinand Lassalle (1825—1864), oprichter van de „Allgemeine Deutscher Arbeiterverein” te Leipzig (1863), die op grond van wat hij de ijzeren loonwet noemde, eveneens oprichting van productieve coöperaties met staatsgeld beoogde, — Karl Rodbertus (1805—1875), die meent, dat onder het huidige productiestelsel de arbeiders, vergeleken bij de kapitalisten en grondeigenaren, steeds armer worden (wet van de dalende loonquote) en daarom den staat het loon en den arbeidsduur wil doen regelen, zoolang de individueele eigendom van grond en kapitaal nog niet is afgeschaft, hetgeen hij voorloopig nog niet voor mogelijk houdt. — De eigenlijke grondlegger van het moderne socialisme is echter Karl Marx (1818— 1883) geweest, wiens streven uit het reeds genoemde Communistisch Manifest van 1847 is te kennen, al zag hij later minder heil in het middel der revolutie dan het manifest. Zijn theorieën heeft hij uitvoerig uiteengezet in zijn door velen langen tijd en ook thans nog wel als evangelie beschouwde „Das Kapital, Kritik der politischen Oekonomie”, waarvan slechts het eerste deel bij zijn leven (1867) is verschenen ; het tweede en derde deel werden door zijn vriend Engels bewerkt en zagen eerst in 1885 en 1894 het licht, terwijl het vierde, door Kautsky en anderen bewerkt, eerst in 1904 en 1905 verscheen. Uitgangspunt is zijn meerwaarde-theorie, volgens welke een deel van hetgeen den arbeider toekomt, hem wordt onthouden ten behoeve van den kapitalist en grondbezitter. Evenals Rodbertus neemt hq een gestadig (relatief) verarmen van den arbeider aan (Verelendungstheorie). De afhankelijkheid van de voortbrenging van de conjunctuur maakt het bestaan van den arbeider steeds onzekerder.

Ieder oogenblik kan hij door de productie als niet meer noodig worden uitgestooten. Een leger van arbeidskrachten (die industrielle Reservearmee) is steeds aan werkloosheid overgeleverd. Maar het tegenwoordige kapitalistische stelsel zal volgens Marx zich zelf te gronde richten en het is daaraan reeds bezig. De ongebreidelde concurrentie doet tenslotte op ieder gebied weinige grootbedrijven zegevieren over het kleinbedrijf. Die weinige grootbedrijven zullen meer voordeel zien, in zich aaneen te sluiten en zich zoodoende een monopolie te verzekeren, dan onderling den concurrentiestrijd voort te zetten (vergel. CONCENTRATIE). Is het zoover gekomen, dan is het publiek aan de willekeur van weinige grootkapitalisten overgeleverd en zal het oogenblik gekomen zijn, dat de staat zich niet meer aan de overneming (socialisatie) der productie kan onttrekken. Dezen loop der gebeurtenissen beschouwt Marx als een historische noodzakelijkheid, waaraan de mensch niets kan veranderen.

De geschiedenis wordt niet door den mensch gemaakt, maar de menschelijke opvattingen zijn afhankelijk van de economische omstandigheden, waaronder de mensch leeft (zgn. historisch materialisme). Iedere verandering in den bouw der maatschappij heeft zich door middel van den klassenstrijd voltrokken. Door dezen moeten ook de arbeiders zich een betere positie veroveren. — Hoewel de leer der meerwaarde door weinigen meer wordt verdedigd en Marx’ voorspellingen omtrent de toekomst niet zijn bewaarheid, is zijn invloed nog steeds groot gebleven. Zie voor de door hem tot stand gebrachte Internationale Arbeidersassociatie INTERNATIONALE. Aan het eind der 19de eeuw zijn vele socialisten tot het inzicht gekomen, dat langs den weg der revolutie voor hen minder te bereiken valt dan langs wettelijken weg. Door propaganda hunner ideeën onder de kiezers trachten zij thans hun invloed in de vertegenwoordigende lichamen te vergrooten. In dezen politieken strijd was algemeen kiesrecht slechts het naaste doel, dienende als middel om eindelijk tot verwezenlijking hunner economische idealen te komen. Zoolang zij niet over een meerderheid beschikken om hun oogmerken door te zetten, zijn velen bereid met leden der burgerlijke partijen aan hervormingen mede te werken, wanneer het arbeidersbelang, het eenige belang, dat zij voorstaan, dit medebrengt.

Onder deze socialisten, revisionisten genoemd, staat in Duitschland Bernstein vooraan. Liebknecht en Bebel wezen steeds elke samenwerking met de burgerlijke partijen van de hand. — Ook ten onzent onderscheidt men revisionisten en strenge Marxisten. In de S.D.A.P. (orgaan: Het Volk) vindt men beide vereenigd. De S.D.P., sinds 1918 Communistische Bond (Wijnkoop, Van Ravesteijn; orgaan: De Tribune), wil van revisionisme niets weten, evenmin als de in 1918 opgerichte Socialistische Partij (Kolthek). Dat ook voor de revisionisten de gedachte aan revolutie haar bekoring nog niet geheel heeft verloren, bleek in November 1918, toen Troelstra c.s. langs revolutionnairen weg naar de politieke macht dreigden te grijpen. — In den Wereldoorlog hebben zich de socialisten in de meeste oorlogvoerende landen gesplitst in een meerderheid, welke de regeering in den oorlog steunde, en een minderheid, die zich tegen haar en den oorlog verzette. — Tegen het socialisme worden vooral de volgende bezwaren aangevoerd. Aantasting, van hetgeen iemand op rechtmatige wijze, door zijn arbeid of door sparen, heeft verworven, is onrecht.

Dat vele rijkdommen op min oirbare wijze zijn verkregen, rechtvaardigt niet afschaffing van den eigendom in het algemeen, maar maatregelen tegen die onoirbare middelen. — Afschaffing van het erfrecht schept niet gelijkheid, maar groote hardheid ten opzichte van kinderen der beter gesitueerden, die na uit ruime beurs te zijn grootgebracht, zeker niet steeds de gelegenheid zullen hebben zich door arbeid alleen op het economisch peil hunner ouders te handhaven. De band tusschen ouders en kinderen is te nauw, dan dat men zonder grove krenking van het rechtsgevoel dezen op economisch gebied kan verbreken. — Afschaffing van het erfrecht, vernietiging dus van de mogelijkheid om voor de economische toekomst van kinderen of anderen te zorgen, zal voor zeer velen den grootsten prikkel tot ingespannen arbeid wegnemen. Deze zal ook, bij sommigen in misschien nog sterker mate, worden weggenomen door afschaffing van den individueelen eigendom. — Individueele spaarzaamheid zal in een soc. maatschappij niet meer worden gevonden. — In het algemeen zal met de onmogelijkheid voor den economischen voorspoed zijner nabestaanden te waken, ook het gevoel van verantwoordelijkheid voor hun toekomst afnemen. — Tegenover het achterwege blijven van kapitaalvorming van individueele zijde, zal deze door de overheid moeten worden ter hand genomen. Zonder kapitaal immers is geen productie van eenige beteekenis denkbaar. Geen lichaam is echter voor kapitaalvorming minder geëigend dan juist de overheid. De financieele nooden van het heden dringen zich steeds in die mate om bevrediging aan haar op, dat aan de belangen van de toekomst onmogelijk vol doende aandacht kan worden ge wij d. — Onvoldoende kapitaalvorming, onvoldoende arbeidsaanwending, minder ruime voortbrenging dus zijn in een soc. maatschappij te verwachten.

< >