Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 24-01-2019

Geslacht

betekenis & definitie

Geslacht - 1) in de biologie in tweeërlei zin gebruikt; ten deele in de beteekenis van sekse, mannelijk en vrouwelijk geslacht, ten deele als een groep van betrekkelijk na verwante soorten, die zoodanig met elkaar overeenstemmen, dat aangenomen kan worden, dat zij een gemeenschappelijke afstamming hebben (genus). In de binaire nomenclatuur van Linnaeus wordt de naam van het geslacht vooraan geplaatst en met een groote letter geschreven.

2) (rechtsk.).
a.; zie FAMILIE. — b. soort; zie aldaar en ook VERVANGBARE ZAKEN. c. kunne. Ons privaatrecht maakt in het algemeen geen onderscheid tusschen man en vrouw. Rechten en verplichtingen worden voor beiden door dezelfde bepalingen beheerscht. Bij het erfrecht bij versterf wordt uitdrukkelijk iedere ongelijkheid uitgesloten (899 B. W.). Ook in handelingsbevoegdheid bestaat geen onderscheid, wanneer beide ongehuwd zijn. Voor het onderscheid in geval van huwelijk, zie aldaar. Bevoorrecht is de vrouw in zoover zij alleen als ze handel drijft en dan slechts in zeer enkele gevallen mag worden gegijseld (685, 686 Rv.). — In het publieke recht bestaat er meer verschil tusschen man en vrouw.

De vrouw mag niet als getuige bij eene akte optreden (20 , 991 B. W. 23 Notariswet). Zij mag niet arbiter zijn (622 Rv.). — Niet alle betrekkingen zijn voor vrouwen toegankelijk, al zijn ze daarvan veelal niet wettelijk uitgesloten. Vooral echter haar achterstelling ten opzichte van het kiesrecht, werd door velen als een onrecht gevoeld. Sinds de laatste grondwetsherziening (1917) is de vrouw echter als lid van de Staten-Generaal, Prov. Staten en gemeenteraad verkiesbaar, terwijl het actieve kiesrecht haar tengevolge van de aanneming van het wetsvoorstel-Marchand (1919) zal worden toegekend; zie verder VROUWENKIESRECHT.

3) Hetgeen geslacht wordt: vleesch. In het bijzonder spreekt men van geslacht in verband met den accijns daarvan geheven. Deze geldt hier te lande slechts rund- en kalfsvleesch, sinds in 1862 die op schapen- en varkensvleesch is afgeschaft. De opbrengst van dezen accijns bedroeg in 1914 ƒ 6.029.000 tegen ƒ 4.498.000 in 1906 of per hoofd der bevolking resp. / 0.96 en / 0.81 J (in 1916 in verband met de hooge vleeschprijzen /1.46).
4) (wisk.), a. van een vlakke algebraïsche kromme lijn van den nen graad: het getal (n—1) (n—2)
2 verminderd met het aantal dubbelpunten en keerpunten. Het geslacht is een getal, dat niet verandert, als men door een birationale transformatie de kromme lijn omzet in eene van anderen graad. De meetkunde op de kromme lijn en de analytische hulpmiddelen voor het onderzoek der kromme worden geheel beheerscht door de waarde van het geslacht. Zoo kan de meetkunde op de rechte lijn, de kegelsneden, de kubische krommen met een dubbelpunt (of keerpunt) (alle krommen van ’t geslacht 0) geheel met eenvoudige functies worden beschreven, terwijl voor de studie der kubische krommen zonder dubbelpunt (dus van geslacht 1) de dubbelperiodische functies noodig zijn.
b. van een ruimtekromme van den nen graad: het getal : (n—1) (n—2)
2 verminderd met het aantal door een willekeurig punt van de ruimte gaande bisecanten, het aantal dubbelpunten en het aantal keerpunten.
c. van een oppervlak, 1. het geometrisch geslacht; dit dit is bij oppervlakken zonder dubbellijn of keerkromme gelijk aan pg = (n—1) (n—2)(n-3)
2 x 3 2. het numerisch geslacht pn, dat bijzondere beteekenis heeft voor oppervlakken met singulariteiten. Voor een rationaal oppervlak (dat op het platte vlak punt voor punt ondubbelzinnig kan afgebeeld worden, geldt pg = pn =0.
d. van een regeloppervlak van den graad n, de klasse k en den rang r: het getal p = (n— 1) (k—1) — r. — 5) (taalk.). In de Indogermaansche talen worden onderscheiden de zg. drie geslachten (Lat. genus, meerv. genera): mannelijk (masculinum), vrouwelijk (femininum) en onzijdig (neutrum). Dit wil zeggen, dat er een aantal zelfstandige naamwoorden zijn, die vervangen kunnen worden door het voornaamwoord, dat mannel. personen aanduidt of waarbij de bijbehoorende (attributieve of praedicatieve) bijvoegel. naamwoorden verbogen worden op de wijze, waarop dit geschiedt, wanneer ze bij mannel. persoonsnamen behooren; verder een aantal zelfst. n.w., die op dezelfde wijze samengaan met de namen van vrouwelijke personen, en in de derde plaats een aantal zelfst. n.w., die buiten de genoemde groepen staan en waarop voornaamwoorden van een afzonderlijken vorm terugwijzen. Deze laatste heeten onzijdig, zijn meestal zaaknamen, maar kunnen ook wel eens persoonsnamen zijn (bv. wijf, kind). Bv. Duitsch: ein guter Mann, ein guter Tisch; beide substantieven kunnen vervangen worden door het voornaamwoord er; eine gute Frau, eine gute Feder, beide te vervangen door het pronomen sie; ein gutes Haus, ein gutes Kind, te vervangen door het pronomen es. Dit genus-onderscheid heeft van oudsher in de Indogerm. talen bestaan en komt dan ook reeds voor in het Sanskrit, Grieksch en Latijn. In den loop der tijden is het, vooral tengevolge van het afslijten der buigingsuitgangen, in sommige talen gewijzigd. Zoo kennen de uit het Latijn voortgekomen Italiaansche en Fransche talen slechts twee geslachten (mannel. en vrouwel.), is in het Engelsch de verhouding van mannel., vrouwel. en onzijdig heel anders dan in het Duitsch (niet-persoonsnamen zijn meestal onzijdig), terwijl in de Nederl. spreektaal alleen die woorden, die een vrouwel. persoon aanduiden, het vrouwelijk woordgeslacht hebben; alle zaaknamen worden door het mannel. voorn, vervangen, voorzoover zij niet onzijdig zijn; in de Nederl. schrijftaal wordt echter een toestand gehandhaafd, die ongeveer met dien in het Duitsch overeenkomt. Reeds Jacob Grimm heeft in zijn Deutsche Grammatik getracht een theorie op te stellen, omtrent den oorsprong van het grammatisch geslacht.

Hij zocht dien in het natuurlijk geslacht, dat door de menschelijke fantasie op levenlooze dingen en begrippen werd overgebracht. Het is dus een soort van personificatie: mannelijke en vrouwelijke eigenschappen zouden aan levenlooze dingen zijn toegekend. Het neutrum zou een niet-ontwikkeld-zijn van het geslacht aanduiden (het gemaakte, vervaardigde, onontwikkelde, levenlooze). Later heeft vooral de taalkundige K. Brugmann zich tegen Grimm’s eenigszins dichterlijke theorie gekeerd en naar een meer formeele verklaring van het verschijnsel gezocht. Men is echter ook gekomen tot een vergelijking van het Indogerm. genus-verschil met soortgelijke verschijnselen in niet-Indogerm., met name Afrikaansche (Bantoe-) en Amerikaansche talen; zoo de onderscheiding van hoogere en lagere dingen; die van menschelijke wezens tegenover alle andere zelfstandigheden; die van levende en levenlooze wezens; die van man en vrouw (in Semitische en Hamitische talen).

De onderscheiding in de drie genera als in het Indogerm. komt in de taal der Hottentotten voor, echter zóó, dat met elk woord zich drie geslachtsbetrekkingen kunnen verbinden (aangeduid door bepaalde suffixen), waarbij het algemeene — neutrum — de zelfstandigheid bedoelt zonder bijgedachte, het vrouwelijk er eert verlagende en het mannel. een verhoogende beteekenis aan verbindt. In ’t algemeen zijn al deze verschillen waardeeringsonderscheidingen (vgl. Wundt, Völkerpsychologie I Die Sprache 2. Teil S. en van Ginneken, Principes de Linguistique psychologique, p. 229 ss.), en misschien is het mogelijk, dat ook aan het genusverschil in de Indogerm. talen een waardeeringsonderscheiding van levend en levenloos ten grondslag ligt, naast de onderscheiding van mannelijk en vrouwelijk (die niet juist sexueel behoeft te worden opgevat, maar ook berusten kan op een verschil in macht en beteekenis, dus ook een waardeeringsonderscheiding is, vgl. ’t boven meegedeelde over het Hottentotsch). Een uiteenzetting van de verschillende theorieën en opvattingen is gegeven door Dr. de Josseling de Jong in het Tijdschr. v. Ned. Taal en Letterk. 29 (1910).